De parameters van een functietoets, zoals de toegewezen functiecode en de individuele verkorte nummers, worden in de toetsparameter-dialoog gewijzigd.
Sommige BEA uitdrukkingen kunnen een beetje anders zijn van de uitdrukkingen die in de BusinessPhone gebruikershandboeken gebruikt worden. In dit geval, vindt u de BEA uitdrukking gevolgd door de uitdrukking uit het gebruikershandboek in haakjes.
U kunt indexnummers (nevenaansluitingen en algemeen verkorte nummers) op de programmeerbare toetsen programmeren en activeren.
Voer het respectieve nummer in het veld toegewezen nummer/id in.
Nakiescijfers kunnen worden ingevoerd na het opbouwen van een verbinding, waarbij de opgeroepen partij bezet is of niet antwoordt. Typische functies zijn wacht indien bezet, opschakeling, bel terug of luidsprekeroproepsysteem.
Voer het respectieve nummer in het veld toegewezen nummer/id in.
Voor iedere externe lijn kan er een functietoets worden geprogrammeerd. Dit betekent dat u de verkeersstand voor iedere geprogrammeerde externe lijn kunt controleren (bijv. vrij, bezet). U kunt ook een extern gesprek tot stand brengen door de externe lijntoets te drukken.
Voer het respectieve hoofdlijnnummer in het veld toegewezen nummer/id in en kies tussen de belalternatieven Belalternatieven.
Een functietoets kan worden geprogrammeerd voor het controleren en het behandelen van oproepen voor een groep aansluitingen.
Voer het respectieve nummer in het veld toegewezen nummer/id in en kies tussen de Belalternatieven.
Een directe tweerichtingsgespreksfunctie tussen twee nevenaansluitingen, bijvoorbeeld in een directiesekretariaatsverbinding.
Voer het respectieve nevenaansluitingsnummer in het veld toegewezen nummer/id in en kies tussen de Belalternatieven.
U kunt alle nevenaansluitingen in een groep oproepen en een gesproken bericht nalaten.
Voer het respectieve groepsnummer van de luidsprekeroproep ( 00 - 07 ) in het veld toegewezen nummer/id in.
Een ACD-groep is een groep hoofdlijnen die gebruikt worden voor het verdelen van ACD oproepen aan een agentengroep. Voer het respectieve ACD-groep nummer ( 00 - 07 ) in het veld toegewezen nummer/id in en kies tussen de Belalternatieven. U kunt bijkomend kiezen tussen 8 verschillende prioriteitsniveaus Prioriteitsniveaus.
Een supervisor is een agent die het inkomende verkeer naar de ACD agenten controleert. Een supervisor controleert ook agenten en ondersteunt ze in moeilijke situaties. Voer het respectieve ACD-groep nummer ( 00 - 07 ) in het veld toegewezen nummer/id in en kies tussen de Belalternatieven.
Met deze toets kunt u uw mailbox controleren. Voer het respectieve mailbox indexnummer in het veld toegewezen nummer/id in.
Binnen een tandemconfiguratie kunt u uw secundaire toestel controleren. Voer het indexnummer in het veld toegewezen nummer/id in en kies tussen de Belalternatieven.
Deze toets wordt gebruikt, wanneer u een informatieverzoek op een analoge hoofdlijn wenst te maken. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Er moet tijdelijk worden veranderd tussen één lijn en twee lijn toegang. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Om een conferentie op te starten. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Bij een inkomende oproep kan er onmiddellijk een gespreksverbinding tot stand worden gebracht. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Deze functie is enkel noodzakelijk om als ACD agent in te loggen. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Programmeer deze toets om toegang tot de account nummers te krijgen. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Deze functie wordt gebruikt voor de administratieve statusindicatie. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Voor agenten die hulp verlangen. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Enkel beschikbaar voor een bedieningspaneel om oproepen in wacht te plaatsen. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Een controle toets voor uw externe voice mail. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Om een algemene wachtstand-toets op uw telefoontoestel te programmeren. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Om externe en interne oproepen door te verbinden. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Om externe nummers op te slaan / opnieuw te kiezen. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Ontvang extra informatie voor omgeleide oproepen. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Een speciale invoer-toets om bijv. via het telefoontoestel te programmeren. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
U kunt bepalen dat uw nummer niet wordt getoond. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Programmeer een toets voor de identificatie van kwaadwillige oproepers. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Om het secundaire telefoontoestel van uw tandemeenheid in / uit te loggen. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Een pauzetoets voor ACD-agenten. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
Om gesprekken met het telefoontoestel op te nemen. Er moeten geen bijkomende waarden worden ingevoerd.
U kunt uw meest gebruikte externe nummers op uw telefoontoestel programmeren en activeren. Deze nummers worden individuele verkorte nummers genoemd en zijn enkel op uw aansluiting beschikbaar.
Op de systeemtoestellen Economyplus, Standard, Executive en Operator kunt u uw individuele verkorte nummers op de 2de functielijn van een programmeerbare toets programmeren en activeren. Wanneer u een analoog toestel of een basissysteemtoestel Basic gebruikt, zijn de individuele verkorte nummers toegankelijk via de toetsenblok.
Om een individueel verkort nummer te programmeren, voer in het passende veld enkel het (de) cijfer(s) in voor een externe gesprekstoegang - bijv. 0 -, gevolgd door het externe nummer. Het cijfer dat moet worden ingedrukt voor externe gesprekken is afhankelijk van de systeemconfiguratie. Het nummer kan maximaal 24 cijfers bevatten.
Wanneer u met uw wijzigingen tevreden bent, klik op overdragen in de besturingsbalk onderaan om uw wijzigingen in het systeem op te slaan.
Er kunnen agenten aan meer dan één gesprekswachtrij worden toegewezen. Bovendien kunt u de prioriteit van de agent bepalen om oproepen van een bepaalde wachtrij te beantwoorden. Een ervaren agent die oproepen van verschillende wachtrijen kan behandelen, wordt bijvoorbeeld een wachtrijprioriteit 1 toegewezen, terwijl andere, minder ervaren agenten enkel een wachtrijprioriteit 0 krijgen. Dat wil zeggen, wanneer alle agenten voor een bepaalde wachtrij bezet zijn, worden inkomende oproepen onmiddellijk naar de agenten met prioriteit 1 geleid.
|
|
|||||||||
© Ericsson Enterprise 2004 |