Als operator kunt u het omleidingsadres voor een ander nummer veranderen, activeren of annuleren, bijvoorbeeld, wanneer er iemand ziek is en wenst dat zijn gesprekken door een andere persoon worden beantwoord. U kunt beide controleren: de interne en externe omleidingen.
Een geblokkeerd nummer wordt omgeleid.
Een geprogrammeerde interne omleiding veranderen en activeren.
![]() |
Kies.
![]() |
Kies het nevenaansluitingsnummer en druk.
![]() |
Voer het nieuwe omleidingsadres in.
![]() |
Druk om de individuele omleiding te activeren.
Clear |
Druk om de procedure te beëindigen.
Een individuele interne omleiding kan niet geactiveerd worden, wanneer er reeds een individuele externe omleiding geactiveerd is.
![]() |
Kies.
![]() |
Kies het nevenaansluitingsnummer en druk.
De geprogrammeerde interne omleiding is gedeactiveerd.
Clear |
Druk om de procedure te beëindigen.
Om een nieuw individueel extern omleidingsadres in te stellen:
![]() |
Kies.
![]() |
Kies het nevenaansluitingsnummer en druk.
![]() |
Kies het (de) cijfer(s) voor de externe gesprekstoegang en voer het nieuwe externe omleidingsadres in.
Indien uw publiek netwerk de kiestoon een seconde wachten verlangt, druk
.
![]() |
Druk om de individuele omleiding te activeren.
Clear |
Druk om de procedure te beëindigen.
Bel de aansluiting om te controleren, of de externe omleiding correct werd ingesteld. Op deze manier kunt u zich ervan vergewissen dat het nummer correct geprogrammeerd werd en dat de gesprekken niet per ongeluk naar een andere persoon worden omgeleid.
![]() |
Kies.
![]() |
Kies het nevenaansluitingsnummer en druk.
De geprogrammeerde externe omleiding is gedeactiveerd.
Clear |
Druk om de procedure te beëindigen.
Het geprogrammeerde omleidingsadres werd niet uit het geheugen verwijderd, de omleiding is enkel inactief.
Een geprogrammeerde externe omleiding activeren.
![]() |
Kies.
![]() |
Kies het nevenaansluitingsnummer en druk.
Clear |
Druk om de procedure te beëindigen.
|
|
|||||||||
© Ericsson Enterprise 2003 |