Een clusteromgeving instellen om verbinding te maken voor de serviceafdeling

Informatie over de handelingen die u moet uitvoeren om, als u werkt in een clusteromgeving, een verbinding in te stellen met de serviceafdeling.

Voer taak 1 tot en met 16 uit en controleer dit om connectiviteit in te stellen voor een geclusterde omgeving.

Taak 1. Voordat u begint

Deze procedure bevat een volledige lijst van taken die u moet uitvoeren om de verbinding met de serviceafdeling in te stellen. Sommige van deze stappen zijn mogelijk al uitgevoerd (bijvoorbeeld tijdens de installatie van de server). Als dat het geval is, kunt u deze procedure gebruiken om te controleren of de taken correct zijn uitgevoerd.

In dit document wordt een internetverbinding gedefinieerd als: toegang tot internet vanuit een logische partitie, server of HMC via directe of indirecte toegang. Indirect betekent dat u zich achter een NAT-firewall (Network Address Translation) bevindt. Direct betekent dat u een wereldwijd routeerbaar adres hebt zonder tussenkomst van een firewall Deze zou de poorten blokkeren die nodig zijn voor communicatie met de serviceafdeling.

Taak 2. Een besluit nemen over uw verbindingsmethode

Kies de methode die het best uw situatie beschrijft.

Als u een HMC en meerdere logische partities hebt:
  • Voor de HMC kunt u een van de volgende methoden kiezen:
    • Direct internet inclusief VPN of een SSL-verbinding (Secure Sockets Layer)
    • Gemeenschappelijk direct internet
    • Gemeenschappelijke inbelverbinding
    Opmerking: Als u meerdere HMC's op hetzelfde subnet hebt of als u HMC's hebt die gemeenschappelijke systemen beheren, hoeft er slechts één HMC verbinding te maken met de serviceafdeling. Daardoor kan de verbinding worden geconcentreerd op één HMC, waardoor de regels voor de firewall worden vereenvoudigd.
  • Bij logische partities met AIX of Linux, worden hardwarefouten gemeld via de HMC, met behulp van de verbindingsmethode voor de HMC.
Als u geen HMC heeft maar wel AIX of Linux:
  • Als u geen logische partities hebt, gebruikt u een van de volgende opties:
    • Internetverbinding via SSL (Secure Sockets Layer)
    • Directe of gemeenschappelijk gebruikte (in het geval van meer dan een server) inbelverbinding via SSL
  • Als u logische partities hebt en de Integrated Virtualization Manager gebruikt om uw server te beheren, kunt u de serviceprocessor zodanig configureren dat deze contact zoekt met de serviceafdeling als de server niet beschikbaar is. Zie voor details Taak 14. De serviceprocessor configureren.
    Opmerking: Als u de Integrated Virtualization Manager gebruikt voor het beheer van uw server, controleert u Service Focal Point voor de Integrated Virtualization Manager om te zien of u contact moet opnemen met de serviceafdeling.

Taak 3. Vereisten

  1. Neem voor directe internetverbindingen contact op met de netwerkbeheerder om het volgende te controleren:
    • Als u VPN wilt gebruiken voor transport, geldt voor HMC-omgevingen dat u moet zorgen dat de volgende poorten open zijn voor communicatie:
      • Protocol UDP-poorten 500 en 4500 (met de volgende IP-adressen: Boulder: 207.25.252.196 en Rochester: 129.42.160.16
      • ESP (protocol 50) met de volgende IP-adressen: Boulder: 207.25.252.196 en Rochester: 129.42.160.16
    • Voor HMC-omgevingen geldt het volgende: als u SSL (Secure Sockets Layer) wilt gebruiken voor transport en er een firewall is geplaatst tussen de HMC en internet, moeten op poort 443 van de HMC uitgaande TCP/IP-verbindingen zijn toegestaan naar alle volgende IP-adressen:
      • 129.42.160.48 en 207.25.252.200 (alle regio's)
      • 129.42.160.49 en 207.25.252.204 (Noord- of Zuid-Amerika)
      • 129.42.160.50 en 207.25.252.205 (alle ander regio's)
        Opmerking: U hoeft alleen de IP-adressen op te geven die nodig zijn voor het instellen van de toegang die voor uw regio van belang is.
    • Voor IBM System p5- of IBM eServer p5-servers in een niet-HMC-omgeving, kiest u een van de volgende opties:
      • Als er beperkt HTTPS-verkeer mogelijk is, moet u ervoor zorgen dat de volgende poort open is voor communicatie: Protocol TCP-poort 443 met de volgende IP-adressen: 207.25.252.200 en 129.42.160.48
      • Als er een HTTP-proxy beschikbaar is in uw netwerk, kan het verkeer van de Service Agent via deze proxy worden verzonden door voor het proxytype HTTP en voor de proxypoort 80 op te geven.
    • Wanneer meerdere logische partities een internetverbinding delen, hebt u de IP-adressen of hostnamen nodig die zijn gemaakt voor TCP/IP en voor virtueel Ethernet.
  2. Bepaal voor een inbelverbinding (modem) de noodzakelijke configuratie-instellingen, waaronder:
    • LAN
    • Voorkiesgegevens, zoals 9 kiezen voor een buitenlijn
    • Gebruik van komma's voor vertraagd kiezen
    • Eventuele speciale telefoonlijnomstandigheden, zoals puls (kiesschijf) of geen beltoon.
  3. Controleer of TCP/IP correct is ingesteld en geconfigureerd. Als dat niet het geval is, neemt u contact op met de netwerkbeheerder en raadpleegt u de documentatie bij het besturingssysteem.

Taak 4. Controleren of het fysieke netwerk correct is ingesteld

Het onderliggende raamwerk van uw serviceomgeving bestaat uit de netwerkverbindingen. De volgende netwerkverbindingen zijn vereist als u wilt profiteren van elektronische services, zoals het melden van hardwareproblemen en andere servergegevens en het downloaden van fixes:

  • Tussen de serviceprocessor en de HMC
  • Tussen de HMC en de server (AIX en Linux)
  • Tussen uw site en de serviceafdeling
  1. Controleer de fysieke verbinding tussen de serviceprocessor en de HMC.

    De serviceprocessor maakt deel uit van uw platformhardware en bewaakt de hardwarekenmerken en -statussen op uw server. De serviceprocessor wordt bestuurd door de serverfirmware (Licensed Internal Code); de serviceprocessor heeft geen besturingssysteem nodig om de taken uit te voeren. De verbinding met de serviceprocessor wordt voor alle servers aangeraden, of u nu wel of niet over logische partities beschikt. Deze verbinding wordt weergegeven in de volgende afbeelding:

    Figuur 1. Dit schema toont de Ethernet-verbinding tussen uw HMC en de serviceprocessor op uw server.


    Dit schema toont de Ethernet-verbinding tussen uw HMCen de serviceprocessor op de server.

  2. Controleer de fysieke verbinding tussen de HMC en de server (AIX en Linux).

    Via deze verbinding kan de server communiceren met uw HMC.

    Hoe u deze verbinding instelt, is afhankelijk van de configuratie:
    • Als de server de originele standaardconfiguratie gebruikt, moet u deze verbinding maken bij het instellen van de server.
    • Als uw server over verschillende logische partities beschikt, moet u ervoor zorgen dat uw HMC met elke logische partitie kan communiceren en dat de logische partities met elkaar kunnen communiceren. U stelt deze verbindingen in als u de logische partities maakt.
    U kunt een van de volgende methoden gebruiken:
    Opmerking: Voor beide onderstaande methoden voor netwerkverbindingen is er op de partitie een basis-TCP/IP-configuratie vereist. Raadpleeg de documentatie van het besturingssysteem voor instructies voor het configureren van TCP/IP.
    • Zorg dat één logische partitie, zoals uw servicepartitie, een Ethernet-adapter heeft en gebruik vervolgens virtueel Ethernet om ervoor te zorgen dat de logische partities met elkaar en met de HMC kunnen communiceren. Aan deze optie wordt de voorkeur gegeven omdat u hiervoor slechts één fysieke adapter in het systeem nodig hebt. Deze configuratie wordt weergegeven in de volgende afbeelding:
      Figuur 2. In dit schema ziet u de virtuele Ethernet-verbinding tussen de logische partities en de fysieke Ethernet-verbinding tussen de servicepartitie en de HMC.


      In dit schema ziet u de virtuele Ethernet-verbinding tussen uw logische partities en de fysieke Ethernet-verbinding tussen de servicepartitie en de HMC.

    • Gebruik een LAN-adapter voor elke logische partitie en gebruik een fysieke verbinding tussen elke logische partitie en de HMC. Voor deze optie is het vereist dat u voor elke logische partitie over een router en een fysieke LAN-adapter beschikt. Deze configuratie wordt weergegeven in de volgende afbeelding:
      Figuur 3. In dit schema ziet u fysieke Ethernet-verbindingen tussen uw logische partities en uw HMC via een router.


      In dit schema ziet u fysieke Ethernet-verbindingen tussen uw logische partities en uw HMC via een router.

  3. Controleer de fysieke verbinding tussen uw site en de serviceafdeling.
    Via deze verbinding kunnen hardwareproblemen en andere servergegevens worden doorgegeven aan de serviceafdeling. Met deze verbinding kunt u ook fixes installeren. Deze verbinding wordt weergegeven in de volgende afbeelding:
    Figuur 4. In dit schema ziet u de verbinding tussen de serviceafdeling en een bedrijf met een server en een HMC.


    In dit schema ziet u de verbinding tussen de serviceafdeling en een bedrijf met een server en een HMC.

Taak 5. Verkrijgen en controleren van een IBM ID

U hebt een IBM-ID nodig omIBM Electronic Service Agent te registreren op de HMC en voorElectronic Service Agent op uw besturingssysteem of -systemen. U heeft dit ID ook nodig om de informatie te bekijken die gemeld is aan IBM via Electronic Service Agent.

  1. Ga naar de websiteMijn IBM-profiel op https://www.ibm.com/account/profile.
  2. Controleer of u bent geregistreerd.
    • Als u geregistreerd bent, verschijnt Welcome back op de website. U kunt ook kiezen voor Sign in om te zien of uw e-mailadres wordt herkend.
    • Als u nog niet geregistreerd bent, kiest u Registreren en vult u het registratieformulier in. Maak een IBM ID aan voor een ieder die toegang mag krijgen tot de informatie die Electronic Service Agent geeft aan IBM. U moet dit account koppelen aan een server, gewoonlijk uw centrale server. (U kunt later andere servers toevoegen.) De personen waarvoor u ID's maakt, moeten op alle geregistreerde servers een systeembeheermachtiging hebben.
  3. Noteer uw IBM-ID (het e-mailadres dat u hebt geregistreerd).
  4. U hebt het ID nodig tijdens Taak 6. De HMC service-instellingen controleren met behulp van de Guided Setup wizard.

Taak 6. De HMC service-instellingen controleren met behulp van de Guided Setup wizard

Om te controleren of de HMC service-instellingen correct zijn opgegeven, gebruikt u de Guided Setup wizard.
Opmerking: Als u uw server nog niet hebt ingesteld, doe dat dan nu. Zie voor details Eerste installatie van de server.
  1. Ga via de interface van de HMC naar de Guided Setup wizard:
    1. Kies in het navigatiegebied de HMC waarmee u wilt werken.
    2. Klik op Informatiecentrum en Configuratiewizard.
    3. Klik in het gegevensgebied op Configuratiewizard starten. Met de configuratiewizard wordt u stapsgewijs begeleid bij de taken die vereist zijn om de HMC in te stellen, inclusief de taken die vereist zijn om uw serviceomgeving in te stellen.
  2. Klik op Volgende om de taken over te slaan die niet speciaal bedoeld zijn voor het instellen van service, waaronder:
    • Datum en tijd instellen
    • Wachtwoorden wijzigen voor de gebruikers-ID's voor de hscroot en root
    • Gebruikers-ID's en wachtwoorden instellen voor nieuwe gebruikers en hun machtigingen instellen
    • Netwerkinstellingen opgeven
  3. Zorg ervoor dat de volgende velden correct zijn ingevuld:
    1. Contactgegevens van de klant voor serviceactiviteiten, waaronder
      • Bedrijfsnaam
      • Naam beheerder
      • E-mailadres
      • Telefoonnummers
      • Informatie over de locatie van de HMC
    2. Configuratie van de connectiviteit voor service-gerelateerde werkzaamheden.
      • Internet VPN
        Opmerking: Bij het configureren van de netwerkinstellingen van HMC voor verbinding via direct of indirect internet, moet de HMC geconfigureerd worden met een standaard gateway voor toegang tot internet. Selecteer HMC Beheer>HMC-configuratie>Netwerkinstellingen aanpassen. Zorg dat het veld Standaardgatewayinformatie een Gateway-adres heeft en een keuze wordt gemaakt in het veld Gateway-apparaat (bijvoorbeeld, elke).
      • Internet: De SSL-optie moet momenteel handmatig worden geconfigureerd:
        1. Selecteer Servicetoepassingen > Ondersteuning op afstand > Uitgaande connectiviteit aanpassen
        2. Selecteer de tab Internet.
      • Inbelverbinding vanaf de lokale HMC
      • Verbinding via andere systemen of logische partities
    3. Configuratie van de netwerkinstellingen
      • Voor direct of indirect internet:
        • Hostnaam van de HMC
        • Domeinnaam
        • Omschrijving van de HMC
      • Voor een inbelverbinding met modem:
        • Voorkiesnummer, indien van toepassing
        • Modemconfiguratie, waaronder:
          • Kiesmethode
          • Voorkiesnummer, indien van toepassing
        • Telefoonnummer
    4. Machtig twee gebruikers voorElectronic Service Agent door het ID (het e-mailadres dat u hebt geregistreerd) in te voeren op de website Mijn IBM-profiel op https://www.ibm.com/account/profile.
      Opmerking: U kunt later meer gebruikers machtigen.
    5. Voeg een e-mailadres toe voor degenen die u wilt laten informeren als er zich problemen voordoen.
  4. Om de verbinding vanaf de HMC te testen, opent u Servicetoepassingen > Ondersteuning op afstand > Uitgaande connectiviteit aanpassen.
  5. Kies de tab voor het type uitgaande verbinding (Lokale modem, Internet, Internet VPN, of Pass-Throughsystemen) dat u voor uw HMC hebt gekozen. Meer informatie over deze instellingen vindt u in Verbindingsmethode kiezen.
  6. Klik op Testen.
  7. Kies een van de volgende opties:
    • Als de test probleemloos verloopt, gaat u verder met de volgende Taak.
    • Als de test mislukt, gaat u verder met de volgende stap.
  8. Controleer of uw land of regio staat vermeld. Selecteer Servicetoepassingen > Ondersteuning op afstand > Klantgegevens aanpassen. Controleer of uw land of regio is geselecteerd in de vervolgkeuzelijst.
  9. Kies een van de volgende opties:
    • Als u een inbelverbinding hebt, gaat u als volgt te werk:
      • Controleer de telefoonkabel tussen de HMC en de aansluiting in de muur.
      • Controleer of het telefoonnummer correct is geconfigureerd, inclusief voorkiesgegevens, zoals een "9" kiezen voor een buitenlijn.
    • Als u een VPN-verbinding heeft, gaat u als volgt te werk:
      • Zorg dat eventueel de juiste firewall-regels zijn toegevoegd.
      • Controleer of u een standaardinstelling voor de gateway heeft op de HMC. Selecteer HMC Beheer > HMC-configuratie > Netwerkinstellingen aanpassen. Zorg dat het veld Standaardgatewayinformatie een Gateway-adres heeft en een keuze wordt gemaakt in het veld Gateway-apparaat (bijvoorbeeld, elke).

Taak 7. Logische partities installeren en configureren

Voor gedetailleerde informatie raadpleegt u De server partitioneren.

Taak 8. De besturingssystemen installeren op uw server of logische partities

Nadere informatie vindt u in Installeren van besturingssystemen.

Taak 9. Uw TCP/IP-netwerk configureren

Instructies vindt u in de documentatie van het besturingssysteem.

Taak 10. TCP/IP activeren op de server of de logische partities

TCP/IP start automatisch op, mits de netwerkadapter wordt herkend en deze kan communiceren met het netwerk nadat AIX of Linux is gestart.

Taak 11. Configureer Electronic Service Agent for AIX of Linux

Als u een HMC hebt, hoeft u Electronic Service Agent op AIX of Linux niet aan te schaffen of te configureren. De AIX en Linux informatie over inventaris en hardwareproblemen (of misschien rapport) worden verzonden via de HMC. Misschien wilt u Electronic Service Agent op AIX of Linux installeren om contact op te nemen met de softwareserviceprovider.

  1. Kies een van de volgende opties:
    • Als u een HMC hebt en Electronic Service Agent op AIX of Linux niet wilt aanschaffen of configureren, gaat u verder met Taak 14. De serviceprocessor configureren.
    • Als u Electronic Service Agent for AIX of Linux wilt configureren, gaat u verder met de volgende stap.
  2. Electronic Service Agent aanschaffen.
    1. Ga naar de website Electronic Service Agent op http://www.ibm.com/support/electronic/navpage?category=5.
    2. Volg de aanwijzingen op het scherm voor de instructies voor het ophalen van Electronic Service Agent.
  3. Kies een van de volgende opties:
    • Als u Electronic Service Agent for AIX wilt configureren, gaat u verder met de volgende stap.
    • Als u Electronic Service Agent for Linux wilt configureren, gaat u naar stap 9.
  4. Als u Electronic Service Agent for AIX wilt configureren, moet u de volgende informatie bekijken:
    In dit voorbeeld configureert u het volgende:
    • Electronic Service Agent op de server met een modem voor een inbelverbinding naar de serviceafdeling
      Opmerking: U kunt in plaats van de modem een internetverbinding of Secure Sockets Layer (SSL) gebruiken voor het tot stand brengen van een verbinding met Service en Ondersteuning.
    • Electronic Service Agent op de andere clients zodat deze kunnen communiceren met de server die over de modem beschikt
    Figuur 5. Een afbeelding van drie servers en hun modemverbindingen naar de serviceafdeling.


    Een afbeelding van drie servers en hun verbindingen via een modem naar de serviceafdeling.

    Opmerking: Raadpleeg voor complexe netwerkomgevingen met HTTP-proxy's, SOCKS-proxy's of DMZ's de gebruikershandleidingen voorElectronic Service Agent for IBM pSeries en IBM RS/6000.
  5. Vanaf het System Management Interface Tool (SMIT) configureert en start u de Service Agent Connection Manager (SACM). De SACM is verantwoordelijk voor het opzetten van connectiviteit naar de serviceafdeling. Deze toepassing maakt het voor de gatewayserver en de clients mogelijk om een enkele, beveiligde verbinding te gebruiken.
    1. Controleer of de hostnaam van de SACM correct is. In dit voorbeeld bevindt de SACM zich op de server of de logische partitie met de modem. Daarom wordt de SACM geconfigureerd op de hostnaam van de server of logische partitie met de modem.
    2. Controleer de standaardpoort 1198. In de meeste gevallen is de standaardpoort geschikt. U kunt deze poort indien nodig later wijzigen. Deze poort is nodig voor communicatie tussen de gatewayserver en de SACM.
  6. Configureer en start de Electronic Service Agent-gatewayserver. Dit is de server of logische partitie die de functie heeft van centrale beheerserver voor alle clients (bewaakte servers of logische partities). De SA-gatewayserver bevat de centrale database en start de communicatie met de serviceafdeling. De Service Agent-gateway communiceert met Service en Ondersteuning via de SACM.
    1. Controleer of de hostnaam juist is. In dit voorbeeld bevinden de SACM en SA-gatewayserver zich op dezelfde server. Dit is de server of logische partitie met de modem. De SA-gatewayserver is de server of logische partitie met de modem. Daarom wordt de SA-gateway geconfigureerd op de hostnaam van de server of logische partitie met de modem.
    2. Controleer of het computertype, model en serienummer juist zijn.
  7. Configureer en start de Electronic Service Agent client. Dit is de bewaakte server of logische partitie waarvan de systeemgegevens worden verzameld en gerapporteerd aan de serviceprovider.
    1. Controleer of de hostnamen van de SA-clients en SA-gateway juist zijn.
    2. Controleer of het computertype, model en serienummer juist zijn.
  8. Ga verder met Taak 12. De Service Agent (SA) Basic User Interface gebruiken.
  9. Als u Electronic Service Agent for Linux wilt configureren, moet u de volgende informatie bekijken.
    In dit voorbeeld configureert u het volgende:
    • Electronic Service Agent op de server met een modem voor een inbelverbinding naar de serviceafdeling
      Opmerking: U kunt in plaats van de modem een internetverbinding of Secure Sockets Layer (SSL) gebruiken voor het tot stand brengen van een verbinding met Service en Ondersteuning.
    • Electronic Service Agent op de andere clients zodat deze kunnen communiceren met de server die over de modem beschikt
    Figuur 6. Een afbeelding van drie servers en hun modemverbindingen naar de serviceafdeling.


    Een afbeelding van drie servers en hun verbindingen via een modem naar de serviceafdeling.

  10. Type op de Linux opdrachtregel de volgend opdracht om Service Agent Connection Manager (SACM) te configureren en te starten:
    startsrc -s sacm

    De SACM-toepassing maakt het voor de gatewayserver en de clients mogelijk om een enkele, beveiligde verbinding te gebruiken om contact te maken met de serviceafdeling.

  11. Typ op de Linux opdrachtregel de volgende opdracht om de Electronic Service Agent gatewayserver te configureren en te starten:
    /usr/svcagent/bin/sagatewayconfig

    De Service Agent gatewayserver heeft de functie van centrale beheerserver voor alle clients (bewaakte servers of logische partities). De SA-gatewayserver bevat de centrale database en start de communicatie met de serviceafdeling.

  12. Ga verder met Taak 12. De Service Agent (SA) Basic User Interface gebruiken.

Taak 12. De Service Agent (SA) Basic User Interface gebruiken

U dient Electronic Service Agent on AIX of Linux te installeren voor toegang tot de SA Basic Gebruikersinterface. Ga voor bijzonderheden naar de website van Electronic Service Agent op http://www.ibm.com/support/electronic/navpage?category=5 Link buiten het Informatiecentrum en zoek de gewenste gebruikershandleiding van de Electronic Service Agent op.

  1. Zorg dat u vertrouwd raakt met de SA Agent Basic User Interface De SA Basic User Interface geeft een lijst van instellingen met de bijbehorende velden die u moet voltooien om Electronic Service Agentte configureren.
  2. Geef de informatie voor de vereiste eigenschapsvelden op. Klik aan de linkerkant van de interface op de eigenschappen en vul aan de rechterkant van de interface de vereiste velden in. De verplichte velden zijn aangegeven met een uitroepteken.

    Afhankelijk van hetgeen u in de velden invult, begeleidt de interface u automatisch door de juiste eigenschappen. Als u bijvoorbeeld opgeeft dat u een modem wilt gebruiken in een veld voor eigenschappen van de Connection Manager, geeft de interface automatisch de velden voor de telefoonkiezer weer, zodat u de gegevens voor de modem kunt invullen.

    In dit voorbeeld, waarin u meerdere servers of logische partities die gebruikmaken van AIX of Linux en een modem voor uitgaande connectiviteit gebruikt, moet u de specifieke gegevens voor de volgende eigenschappen voltooien:
    Connection Manager
    Maak de selectie van Onjuist ongedaan voor Met behulp van de kiezer verbinding maken met SDR zodat u de kiezer inschakelt. Met deze optie geeft u aan dat u een modem wilt gebruiken om verbinding te maken met de serviceafdeling.
    Kiezer
    Geef de details van de verbindingsparameters op voor de verbinding tussen uw modem en de serviceafdeling.
    Machines
    Voeg twee SA-clients toe.
    Registreren
    Registreer de servers bij de serviceafdeling. Hiermee wordt de oproep aan deze dienst gestart zodat de servers in de database van de serviceafdeling worden geregistreerd. Voor het voltooien van het proces verzendt de serviceafdeling een sleutel.
    Aanroeplogboek
    Controleer de status van de aanroep naar de serviceprovider. U kunt hier zien of de aanroep aan de serviceafdeling is geslaagd.

    Voor informatie over de geavanceerde functies die buiten de reikwijdte van dit voorbeeld vallen, gaat u naar de website van Electronic Service Agent op http://www.ibm.com/support/electronic/navpage?category=5 Link buiten het Informatiecentrum en zoekt u naar de gewenste gebruikershandleiding van Electronic Service Agent.

Taak 13. Registreer de ID bij Electronic Service Agent for AIX or Linux

  1. In de Service Agent Basic User Interface klikt u op Registreren.
  2. Vul de verplichte velden in aan de rechterkant van de interface. De verplichte velden zijn aangegeven met een uitroepteken.
  3. Ga verder met Taak 14. De serviceprocessor configureren.

Taak 14. De serviceprocessor configureren

U kunt dit type serviceverbinding gebruiken als de server niet beschikbaar is, omdat de serviceprocessor geen besturingssysteem nodig heeft om zijn taken uit te voeren.

Als u de serviceprocessor zodanig instelt dat deze verbinding maakt met de serviceafdeling, moet u een modem aansluiten op de seriële poort van de serviceprocessor op de server. Bovendien moet u de ASMI-menu's (Advanced System Management Interface) gebruiken voor het uitvoeren van verschillende configuratiestappen.

  1. Geef in het ASMI-welkomstvenster uw gebruikers-ID en wachtwoord op en klik op Aanmelden.
    Opmerking: Voor deze taken moet u gemachtigd zijn als beheerder of serviceprovider.
  2. Vouw in het navigatiegebied Hulpmiddelen voor systeemservice uit.
  3. Als u de seriële poort van de serviceprocessor wilt configureren, voert u de volgende stappen uit:
    1. Selecteer Seriële poort instellen.
    2. Wijzig de velden in gedeelten S1 (voor Servicenummer bellen) en S2 (voor Inbellen).
    3. Klik op Instellingen opslaan om de wijzigingen op te slaan.
  4. Om de modem te configureren, gaat u als volgt te werk:
    1. Klik op Modemconfiguratie.
    2. Wijzig de bijbehorende velden in de groepsvakken S1 en S2.
    3. Klik op Instellingen opslaan.
  5. Om het beleid voor Servicenummer bellen en Inbellen te configureren, gaat u als volgt te werk:
    1. Selecteer Servicenummer bellen/Inbellen.
    2. Geef de gewenste tekst op in de opgegeven velden.
    3. Klik op Instellingen opslaan om de wijzigingen op te slaan.
  6. Om het beleid voor Servicenummer Bellen te testen, gaat u als volgt te werk:
    1. Klik op Test van Servicenummer bellen.
    2. Klik op Test van Servicenummer bellen starten. Het bellen naar het servicenummer wordt getest met de huidige poort- en modeminstellingen.
  7. Ga verder met Taak 15. De verbinding met de serviceafdeling testen.

Taak 15. De verbinding met de serviceafdeling testen

  1. Als u een HMC gebruikt om verbinding te maken met de serviceafdeling, volg dan deze procedure om de verbinding voor de HMC te testen:
    1. Ga naar de HMC en open Servicetoepassingen > Service Focal Point > Servicefuncties.
    2. Selecteer een systeem.
    3. Selecteer Geselecteerd > Service-event genereren.
    4. Selecteer Automatische probleemmelding testen.
    5. Selecteer Service aanvragen. Er verschijnt een bericht zodra het serviceverzoek wordt verzonden.
  2. Om de verbinding te testen voor AIX (als u Electronic Service Agent op de server of logische partitie heeft ingesteld), gaat u als volgt te werk:
    1. Vanaf de System Management Interface Tool (SMIT) op uw Electronic Service Agent-server, activeert u de Electronic Service Agent.
    2. Zorg ervoor dat de Electronic Service Agent Connection Manager geactiveerd is als deze zich op een andere machine bevindt dan de Electronic Service Agent-server.
    3. Vanaf SMIT start u Service Agent Advanced User Interface.
    4. Om een modem te gebruiken, configureert u de kiezer in het scherm van de Connection Manager aan de hand van de instructies. Standaard wordt verbinding gemaakt met de serviceafdeling via een bestaande internetverbinding.
    5. Open de map Manual Tools.
    6. Selecteer Connect.
    7. Controleer het CallLog op de volgende gegevens: TEST Connection (geslaagd: 1, mislukt: 0).
  3. Om de verbinding voor Linux (als u set up Electronic Service Agent op de server of logische partitie heeft ingesteld) te testen, gaat u als volgt te werk:
    1. Activeer op de Electronic Service Agent-server, de Electronic Service Agent.
    2. Typ op een Linux opdrachtregel het volgende:
      startsrc -g svcagent
    3. Zorg ervoor dat de Electronic Service Agent Connection Manager geactiveerd is als deze zich op een andere machine bevindt dan de Electronic Service Agent-server.
    4. Typ op een Linux opdrachtregel het volgende:
      startsrc -s sacm
    5. Start de Service Agent Advanced User Interface.
    6. Typ op een Linux opdrachtregel het volgende:
      /usr/svcagent/bin/sauiascii
    7. Als u een modem wilt gebruiken, configureert u de kiezer in het scherm van de Connection Manager aan de hand van de instructies. Standaard wordt verbinding gemaakt met de serviceafdeling via een bestaande internetverbinding.
    8. Open de map Manual Tools.
    9. Klik op Connection.
    10. Controleer het CallLog op de volgende gegevens: TEST Connection (geslaagd: 1, mislukt: 0).

Taak 16. De gemelde servergegevens bekijken

Op internet kunt u gegevens bekijken over het systeem dat u ingeschakeld hebt, en kunt u zien welke gegevens er door Electronic Service Agent zijn verzameld. Om de uitgebreide voorzieningen van Electronic Service Agent en alle voordelen daarvan te kunnen gebruiken, moet u een IBM Registratie-ID (IBM ID)opgeven. Het eerste IBM-ID dat u opgeeft, is gemachtigd voor beheer en kan andere gebruikers machtigen voor de website. Het tweede IBM-ID is beschikbaar als backup voor de beheerder.

  1. Ga naar de website IBM Electronic Services op http://www.ibm.com/support/electronic.
  2. Klik op Sign in (in de rechterbovenhoek).
  3. Typ het IBM-ID en wachtwoord.
  4. Kies de volgende opties in de navigatiebalk:
    • Als u uw servergegevens wilt bekijken, klikt u op My systems.
    • Klik op Premium Search om te zoeken naar technische ondersteuning en gebruik hierbij de servergegevens.
      Opmerking: In sommige gevallen is de functie Premium Search alleen beschikbaar tijdens de garantietermijn van de server of als u een servicecontract hebt.
    • Klik op My messages om informatie te bekijken die betrekking heeft op uw servers en andere onderwerpen die voor u van belang zijn.
  5. Geef de gevraagde gegevens op.

Feedback verzenden|Deze pagina beoordelen