Zelfstandige eServer-diagnoseprogramma's vanaf CD uitvoeren op een server waarop geen HMC is aangesloten

Informatie over het uitvoeren van de zelfstandige eServer-diagnoseprogramma's op een systeem waarop geen HMC is aangesloten.

  1. Kies een van de volgende opties:
    • Als het systeem aan staat, gaat u verder met stap 2.
    • Als het systeem uit staat, gaat u verder met stap 3.
  2. Als het systeem aan staat, voert u de volgende stappen uit:
    1. Stel de systeembeheerder en de gebruikers ervan op de hoogte dat u de systeemeenheid uitschakelt.
    2. Sluit alle programma's af, inclusief het besturingssysteem. Zie voor meer informatie Het systeem starten of stoppen.
    3. Ga verder met stap 4.
  3. Als het systeem is uitgeschakeld, voert u de volgende stappen uit:
    1. Start de server zodat u de CD met de diagnoseprogramma's tijdens de volgende stap in het CD-station kunt plaatsen.
    2. Ga verder met stap 4.
  4. Plaats de diagnose-CD in het CD-station.
  5. Start de server opnieuw op.
  6. Ga verder met Testopties selecteren.

Testopties selecteren

  1. Nádat de POST-indicator voor het toetsenbord (het woord keyboard) op de firmwareconsole is verschenen, maar vóórdat de laatste POST-indicator (het woord speaker) verschijnt, drukt u op de toets 5 van het aangesloten toetsenbord of van het ASCII-toetsenbord om aan te geven dat er een opstartprocedure voor de servicewerkstand moet worden gestart met behulp van de lijst met standaard-opstartprocedures.
  2. Als het welkomstscherm wordt weergegeven, definieert u de volgende zaken:
    • Systeemconsole
    • Gebruikte taal
    • Terminaltype
      Opmerking: Het is mogelijk dat de functietoetsen (Fn) niet werken; dit is afhankelijk van de gekozen terminalemulator. In dit geval gebruikt u de ESC-toets en cijfertoetsen in de schermmenu's. Bijvoorbeeld: F3 = ESC-toets en toets 3.
  3. Als de instructies voor diagnostische bewerkingen verschijnen, drukt u op Enter.
    Opmerking: Als het niet lukt om de diagnoseprogramma's te laden tot het punt waarop het scherm met de bedieningsinstructies voor de diagnoseprogramma's verschijnt, neemt u contact op met de beheerder of met de serviceprovider van uw hardware.
  4. Selecteer in het functieselectiescherm een van de volgende opties:
    • Als u een diagnoseprogramma wilt uitvoeren in de werkstand Probleembepaling, gaat u naar de volgende stap.
    • Als u een diagnostisch programma wilt uitvoeren in de werkstand voor taakselectie (Service Aids), gaat u naar de stap 11.
  5. Selecteer Probleembepaling en druk op Enter.
  6. Controleer de lijst met resources die wordt afgebeeld. Komt de lijst met resources overeen met hetgeen volgens u op uw systeem of partitie is geïnstalleerd?
    • Ja: Ga verder met de volgende stap.
    • Nee: Noteer alle beschikbare informatie over de ontbrekende resource en controleer of de ontbrekende resource op de juiste manier is geïnstalleerd. Als u het probleem met een ontbrekende resource niet kunt corrigeren, moet u de ontbrekende resource vervangen (neem indien nodig contact op met uw serviceprovider). Als u de beschikbare resources wilt testen, gaat u verder met de volgende stap.
  7. Selecteer Alle resources of de specifieke resource(s) die u wilt testen en druk op de toets P7 (commit).
  8. Noteer alle foutgegevens die u tijdens de diagnose te zien krijgt, waaronder de serviceopdrachtnummers (SRN's) en systeemreferentiecodes (SRC's). U dient deze gegevens aan de serviceprovider te verschaffen. Voor meer informatie raadpleegt u De probleemmeldingsformulieren gebruiken.
  9. Als de test is voltooid, gaat u met de toets F3 terug naar het scherm met diagnostische instructies.
  10. Kies een van de volgende opties:
    • Om door te gaan met de test, gaat u terug naar de stap 7.
    • Om de zelfstandige diagnoseprogramma's af te sluiten, selecteert u de afsluittoets in het menu en drukt u op Enter. Ga verder met stap 18.
  11. Selecteer Taakselectielijst en druk op Enter.
  12. Om een van deze taken uit te voeren, selecteert u de optie Taakselectie in het functieselectiemenu. Na het selecteren van de taak wordt eventueel een resourcemenu weergegeven met alle resources die door de taak worden ondersteund.
  13. Selecteer in de taakselectielijst de servicetaak die u wilt uitvoeren. Bijvoorbeeld: Systeemflash bijwerken en beheren.
  14. Volg de instructies voor de geselecteerde taak in de menu's of schermen.
  15. Noteer alle gegevens die u tijdens de diagnose te zien krijgt, waaronder de serviceopdrachtnummers (SRN's). U dient deze gegevens aan de serviceprovider te verschaffen. Voor meer informatie raadpleegt u De probleemmeldingsformulieren gebruiken.
  16. Als de test is voltooid, gaat u met de toets F3 terug naar het scherm met diagnostische instructies.
  17. Kies een van de volgende opties:
    • Om door te gaan met de test, gaat u terug naar de stap 13.
    • Om de zelfstandige diagnoseprogramma's af te sluiten, selecteert u de afsluittoets in het menu en drukt u op Enter. Ga door met de volgende stap.
  18. Haal de CD uit het station.
  19. Als u klaar bent, neemt u contact op met de beheerder of met de serviceprovider van de hardware om de gegevens door te geven die u tijdens het uitvoeren van de diagnoseprogramma's hebt ontvangen, inclusief de serviceopdrachtnummers en eventuele ontbrekende resources. Voor meer informatie raadpleegt u De probleemmeldingsformulieren gebruiken. Hiermee is de procedure ten einde.

Feedback verzenden|Deze pagina beoordelen