In dit onderwerp worden de verschillende onderdelen besproken waaruit het toevoersysteem bestaat voor de secundaire die de warmtewisselaar voor de achterklep van gekoeld, geconditioneerd water voorziet. Het toevoersysteem bestaat uit pijpen, slangen en de vereiste aansluitingen waarmee de warmtewisselaar moet worden aangesloten. Tevens wordt beschreven hoe de slangen moeten worden geplaatst in omgevingen met een verhoogde vloer of een niet verhoogde vloer.
Met de warmtewisselaar voor de achterklep kan 50-60 procent van de warmtebelasting van een afzonderlijk rek worden afgevoerd als er water wordt toegevoerd van 18 graden C (64 graden F) en de klep onder optimale omstandigheden wordt gebruikt. Stel dat een rek een warmtebelasting produceert van X watt. De warmtewisselaar kan 0,5X watt afvoeren voordat de verwarmde lucht de ruimte binnenkomt.
De primaire koelingslus bestaat uit de door het gebouw geleverde toevoer van gekoeld water of een modulaire koelingseenheid. De primaire lus moet om twee redenen niet als de rechtstreekse koelingsbron voor de warmtewisselaar voor de achterklep worden gebruikt. Ten eerste: water onder het dauwpunt veroorzaakt vochtafzetting op de warmtewisselaar als deze wordt gebruikt (er drupt condensatie naar beneden dat onder het rek blijft liggen). Ten tweede: als er geen goede lekkagedetectie is geïnstalleerd (bijvoorbeeld bewaakte lekkagetape, lekkagesensors en automatische afsluitkleppen) en er een lekkage optreedt in de deur, de slangen of de verdeelstukken, kan de constante en enorme toevoer van water uit de primaire lus tot gevolg hebben dat er grote hoeveelheden water in het computercentrum terechtkomen. Als water wordt aangevoerd in een gecontroleerde en bewaakte secundaire, gesloten lus wordt de hoeveelheid water die vrijkomt tijdens een mogelijke lekkage beperkt en ontstaat er geen condensatie.
Verdeelstukken waarop pijpen met een grote diameter van een pompeenheid kunnen worden aangesloten vormen de beste methode om de waterstroom te splitsen naar pijpen met een kleinere diameter of naar slangen die naar afzonderlijke warmtewisselaars voor achterkleppen worden geleid. Verdeelstukken moeten gemaakt zijn van materiaal dat met de pompeenheid en de bijbehorende pijpen kan worden gebruikt. See Materialen voor secundaire lussen . De verdeelstukken moeten voldoende aansluitingspunten hebben zodat er een evenredig aantal toevoer- en afvoerleidingen kan worden aangesloten en de verdeelstukken moeten de capaciteit aankunnen van de pompen en de warmtewisselaar (tussen de secundaire koelingslus en de bron met gekoeld water van het gebouw). Veranker alle verdeelstukken of zet deze goed vast zodat de verdeelstukken niet kunnen bewegen als er aansluitingen worden aangesloten en wanneer kleppen of ventielen worden geopend of gesloten.
U wordt aangeraden om afsluitkleppen te gebruiken voor elke toevoer- en afvoerleiding vanuit het verdeelstuk zodat de waterstroom in afzonderlijke leidingen van verschillende circuitlussen kan worden stopgezet. Op deze manier kan er onderhoud worden verricht of kan een afzonderlijke warmtewisselaar worden vervangen zonder dat de werking van de ander warmtewisselaars in de lus wordt beïnvloed.
Aanpasbare afsluiters worden ook aangeraden voor elke toevoerleiding vanuit een toevoerverdeelstuk zodat er wijzigingen kunnen worden aangebracht in de aanvoer naar elk afzonderlijk rek, in het geval dat er warmtewisselaars voor deurkleppen worden toegevoegd aan of worden verwijderd uit de secundaire lus (met deze methode blijft de wateraanvoer binnen de specificaties die gelden voor elke warmtewisselaar).
Het wordt aanbevolen om de temperatuur en waterstroom in secundaire lussen te meten (te bewaken) om ervoor te zorgen dat er aan de waterspecificaties wordt voldaan en dat er een optimale warmteafvoer plaatsvindt.
Veranker alle verdeelstukken en pijpen of zet deze goed vast zodat deze niet kunnen bewegen als er aansluitingen op de verdeelstukken worden aangesloten.
De volgende afbeelding bevat een voorbeeld van een typische centrale verdeelstukindeling waarmee water wordt aangevoerd naar verschillende warmtewisselaars.
In de volgende afbeelding wordt een andere indeling voor verschillende watercircuits weergegeven.
In de volgende afbeelding wordt een uitgebreide verdeelstukindeling weergeven.
De configuraties van pijpen en slangen kunnen verschillen en worden bepaald door de behoeften van uw faciliteit te analyseren. Een dergelijke analyse kan worden gemaakt door een medewerker die de locatie voorbereidt.
Flexibele slangen zijn nodig om water aan en af te voeren tussen de vaste onderdelen (verdeelstukken en koelingseenheden) en de warmtewisselaar voor de achterklep (waardoor er ruimte ontstaat om de achterklep van het rek te openen en te sluiten).
Er zijn waterslangen beschikbaar waarin de waterdruk op een acceptabele manier afneemt zodat bepaalde roestonderdrukkers niet worden uitgeput. Deze slangen moeten gemaakt zijn van EPDM-rubber (Ethylene Propylene Diene Monomer), een peroxidebestendig, niet-metaaloxiderend materiaal, en hebben aan elk uiteinde een Parker Fluid-aansluiting. Deze aansluitingen worden hieronder gedefinieerd en passen op de aansluitingen van de warmtewisselaar. Er zijn slangen met een lengte van 3 tot 15 m (10 ft. tot 50 ft.)verkrijgbaar in stappen van 3 m (10 ft.) Slangen die langer zijn dan 15 m (50 ft.) kunnen een onacceptabel drukverlies in het secundaire circuit veroorzaken en op die manier de warmteafvoermogelijkheden van de warmtewisselaar verminderen.
Voor een voorgestelde leverancier van deze slangen, raadpleegt u Leveranciers van flexibele slangen. Gebruik solide pijpen of buizen met een minimale binnendiameter van 19 mm (0,75 in.) en zo min mogelijk verbindingsstukken tussen een verdeelstuk en een warmtewisselaar in elke secundaire lus.
Er worden aansluitingen gebruikt om de slangen of vaste pijpen aan te sluiten op de verdeelstukken en de warmtewisselaars voor achterkleppen. Slangaansluitingen die worden aangesloten op de warmtewisselaar moeten de volgende kenmerken hebben.