De 570-modellen ondersteunen configuraties met een redundante serviceprocessor die dynamische failover mogelijk maken. Het is van belang dat u op de hoogte bent van de aandachtspunten en vereisten voor een configuratie met een redundante serviceprocessor als voorbereiding voor het inschakelen van de failovervoorziening.
De voorziening voor een redundante serviceprocessor maakt het mogelijk om een secundaire serviceprocessor te configureren die wordt geactiveerd als de primaire serviceprocessor defect raakt. In dit gedeelte worden de overwegingen en vereisten voor inschakeling van deze voorziening beschreven, voor installatie van een nieuwe systeem met een redundante serviceprocessor of voor het bijwerken van een bestaand systeem.
| De netwerkomgeving voorbereiden voor failover | |
|---|---|
| _ | Netwerkvereisten Failover voor de serviceprocessor wordt ondersteund in een besloten of openbaar servicenetwerk, met behulp van statische of dynamische IP-adressering. |
| _ | Installatievereisten voor de HMC U hebt een Hardware Management Console (HMC) nodig om de voorziening voor een redundante serviceprocessor te kunnen inschakelen. Voor de voorziening serviceprocessor failover is versie 5.1 of hoger van HMC vereist. Momenteel worden twee HMC-configuraties ondersteund voor activering van redundante serviceprocessors, zoals hieronder is afgebeeld. |
| _ | Vereisten voor bekabeling Als u een systeem met een enkele serviceprocessor wilt upgraden naar een systeem met een redundante serviceprocessor, dient u vooraf vast te stellen welke extra kabels u nodig hebt voor de nieuwe omgeving:
Meer informatie over de bekabeling voor een redundante serviceprocessor vindt u bij Replace the model 570 or 9116-561 service processor cable |
| Controlelijst | |
Gebruik deze controlelijst als voorbereiding voor het inschakelen van een redundante serviceprocessor. |
|
| _ | Bekijk de configuratievereisten in het voorafgaande gedeelte. |
| _ | Bepaal welke HMC-configuratie u wilt gaan gebruiken (enkele HMC-configuratie of een redundante HMC-configuratie). |
| _ | Stel vast of u extra kabels nodig hebt voor de redundante serviceprocessor. |
| _ | Als u de serviceprocessor gaat vervangen om een upgrade naar een redundante
serviceprocessor uit te voeren, moet u eerst een backup maken van de profielen
van de logische partities en de instellingen van de serviceprocessor. Bij
vervanging van de serviceprocessor gaat de configuratie van de logische
partities verloren. Maak een backupbestand met de gegevens van het partitieprofiel, aan de hand van de instructies in Backup maken van de gegevens van het partitieprofiel. Geef een naam voor het backupbestand op een gebruik hiervoor niet de standaardbestandsnaam van HMC. Op deze manier beschikt u over een bestand met de backupinstellingen op de HMC. Noteer de naam van het backupbestand. U hebt deze bestandsnaam nodig om de partitiegegevens te herstellen. Zie Profielgegevens herstellen. Om een backup te maken van de instellingen van de serviceprocessor en voor meer informatie over installatie van de redundante serviceprocessor, raadpleegt u Install a model 570 redundant service processor assembly. |
| _ | Controleer of uw systeem voldoet aan de vereisten voor de
ondersteunde versies van de hardware en software, vanwege de failoverfunctionaliteit
voor de serviceprocessor. Raadpleeg
de IBM Prerequisite-website op http://www-912.ibm.com/e_dir/eServerPrereq.nsf voor meer informatie. |
Failover inschakelen voor serviceprocessor