Voer de onderstaande taken uit om het werkstation te bekabelen.
| Voordat u begint | |
|---|---|
| __ | Als u hardwarevoorzieningen hebt die nog niet zijn geïnstalleerd, kunt u die nu installeren. Voor instructies raadpleegt u Voorzieningen installeren en onderdelen vervangen. |
| De Advanced System Management Interface (ASMI) aansluiten | |||
|---|---|---|---|
| __ | Als u van plan bent om een PC (met een browser) aan te sluiten op het werkstation voor toegang tot de ASMI, raadpleegt u Toegang tot de ASMI met een webbrowser voor instructies. | ||
| __ | Als u van plan bent om de ASMI te openen met behulp van het ASCII-werkstation, raadpleegt u Toegang tot de ASMI met behulp van een ASCII-console voor instructies. | ||
| De externe kabels aansluiten | |||
|---|---|---|---|
| __ | Als u optionele adapters gebruikt,
(zoals een Token-Ring of 8-poorts EIA-232-adapter), sluit u de kabels aan op de
juiste adapteraansluitingen in de PCI-sleuven in uw computer. Raadpleeg Adapters, Devices, and Cable Information for Multiple Bus Systems Opmerking: Als een kabel niet met het werkstation is meegeleverd, dient u er
zelf voor te zorgen.
|
||
| Apparaten aansluiten met behulp van de systeempoorten | |||
|---|---|---|---|
| __ | Als u een IBM System p5 of eServer p5-server hebt en u wilt toegang hebben tot de ASMI wanneer het systeem in de spaarstand Standby staat, sluit u een ASCII-werkstation aan op een systeempoort aan de achterzijde van de server. Voor de achterzijde van de servers raadpleegt u Verwijzingen. | ||
| __ | Als u werkt met een IBM System p5 of eServer p5-server en u wilt van op afstand toegang hebben tot de ASMI wanneer het systeem in de spaarstand Standby staat, sluit u een modem aan op een systeempoort aan de achterzijde van de server. Voor de achterzijde van de servers raadpleegt u Verwijzingen. | ||
| __ | Als u een IBM System p5 of eServer p5-server hebt u en u wilt deze aansluiten op een UPS (noodvoeding) raadpleegt u de documentatie bij de UPS. Mogelijk hebt u aanvullende hardware nodig. | ||
Opmerkingen:
|
|||
| De netsnoeren aansluiten | |||
|---|---|---|---|
| __ | Leid de netsnoeren langs de ringen of klemmen die zijn aangebracht om te voorkomen dat de netsnoeren worden losgetrokken. | ||
| __ | Als uw werkstation is voorzien van een geleidering, haalt u
het netsnoer door de ring voordat u het snoer aansluit aan de achterzijde van
het werkstation. Dit wordt geïllustreerd in de volgende afbeelding:![]() |
||
| __ | Als uw werkstation is voorzien van een geleideklem,
bevestigt u het netsnoer onder de klem voordat u het snoer aansluit aan de achterzijde van
het werkstation. Dit wordt geïllustreerd in de volgende afbeelding:![]() |
||
| __ | Sluit de netsnoeren aan op het systeem, beeldscherm en de aangesloten apparatuur. | ||
| Het werkstation opstarten | |||
|---|---|---|---|
| __ | Zet het systeem aan (zie
Het systeem aan- en uitzetten). Opmerking: Houd er rekening mee dat er enige tijd kan verstrijken tussen het moment dat de server
of het werkstation wordt voorzien van stroom en het moment dat een opstartprocedure (IPL) kan worden
gestart. Zodra de stroomvoorziening voor de server of het werkstation wordt ingeschakeld, voert de
serviceprocessor eerst een zelfcontrole uit, waarbij het bedieningspaneel
gedurende maximaal 2 minuten leeg blijft. Wacht totdat de C1XX XXXX-voortgangscodes
zijn voltooid en 01 wordt afgebeeld op het bedieningspaneel, voordat u een
opstartprocedure (IPL) uitvoert of de functies op het bedieningspaneel wijzigt.
|
||
| Na voltooiing | |
|---|---|
| _ | Keer terug naar uw oorspronkelijke checklist voor de installatie en ga verder met de volgende stap. |