U kunt deze instructies gebruiken om een geïnstalleerd onderdeel van een systeem, uitbreidingseenheid of logische partitie in Linux te controleren.
U kunt zelfstandige diagnoseprogramma's gebruiken om een geïnstalleerd onderdeel van een systeem, uitbreidingseenheid of logische partitie in Linux te controleren. U kunt deze diagnoseprogramma's openen vanaf een CD-ROM of vanaf de NIM-server (Network Installation Management). In deze procedure wordt beschreven hoe u de diagnoseprogramma's op een CD-ROM gebruikt. Raadpleeg voor informatie over het uitvoeren van diagnoseprogramma's vanaf de NIM-server (Network Installation Management) het onderwerp Zelfstandige eServer-diagnoseprogramma's uitvoeren vanaf een Network
Installation Management-server.
Vereisten - Als de server direct is verbonden met een andere server of aan een netwerk is gekoppeld, moet u zorgen dat de communicatie met de andere servers is afgesloten.
- Zelfstandige eServer-diagnoseprogramma's vereisen gebruik van alle partitieresources. Andere activiteiten op de logische partitie zijn dan niet toegestaan.
- Zelfstandige eServer-diagnoseprogramma's moeten toegang hebben tot de systeemconsole.
Ga als volgt te werk bij het gebruik van de zelfstandige diagnoseprogramma's:
- Beëindig alle taken en toepassingen en sluit vervolgens het besturingssysteem af op het systeem of de logische partitie.
- Verwijder alle banden, diskettes en CD-ROM's.
- Schakel de stroomvoorziening van de systeemeenheid uit. In de volgende stap wordt de server of logische partitie opgestart vanaf de CD-ROM met zelfstandige eServer-diagnoseprogramma's. Als het optische station niet beschikbaar is als opstartapparaat van de server of logische partitie, gaat u als volgt te werk:
- Open de ASMI. Raadpleeg Server beheren met behulp van ASMI (Advanced System Management Interface) voor informatie over het gebruik van de ASMI.
- Klik in het ASMI-hoofdmenu op Power/Restart Control.
- Klik op Power On/Off System.
- Selecteer de optie Service mode boot from default boot list in het menu voor het opstarten van logische partities in AIX/Linux.
- Klik op Save settings and power on. Zodra het optische station actief is, plaatst
u de eServer-CD-ROM met de zelfstandige diagnoseprogramma's.
- Ga verder met stap 5.
- Schakel de stroom weer in en stop onmiddellijk de diagnose-CD-ROM in het optische station.
- Nadat de POST-indicator voor het toetsenbord (keyboard)
verschijnt op de systeemconsole en voordat de laatste POST-indicator (speaker) wordt afgebeeld, drukt u op de systeemconsole op de numerieke toets "5"
om aan te geven dat er een opstartprocedure voor de servicewerkstand moet worden gestart
met behulp van de lijst met standaard-opstartprocedures voor servicewerkstanden.
- Geef de gevraagde wachtwoorden op.
- Druk op Enter in het scherm Diagnostic Operating Instructions.
Opmerking: Als een serviceaanvraagnummer (SRN) of andere referentiecode wordt weergegeven, zit er waarschijnlijk een adapter of kabel los. Raadpleeg de procedures voor het vervangen van het onderdeel om er zeker van te zijn
dat het vervangende onderdeel correct is geïnstalleerd. Als u het probleem niet kunt verhelpen, verzamelt u alle SRN's en overige
verwijzingscodes die worden afgebeeld. Als het systeem niet wil starten of als er geen aanmeldingsvenster wordt weergegeven, raadpleegt u
Problemen met laden en starten van het besturingssysteem.
Opmerking: Als u een SRN of andere referentiecode ontvangt bij het uitvoeren van diagnostische programma's en hierover meer informatie wilt hebben, kunt u het onderwerp
Referentiecodes raadplegen.
- Als het terminaltype wordt gevraagd, moet u de optie Initialize Terminal in het menu Function Selection gebruiken om het besturingssysteem te initialiseren voordat u verder kunt gaan.
- Selecteer in het menu Function Selection de optie Advanced
Diagnostics Routines. Druk op Enter.
- In het menu Diagnostic Mode Selection selecteert u System Verification. Druk op Enter.
- Wanneer het menu Advanced Diagnostic Selection verschijnt, selecteert u de optie
All Resources, of test u alleen het vervangen onderdeel en de eventueel daarop
aangesloten apparaten, door de diagnose voor het afzonderlijke onderdeel te selecteren. Druk op Enter.
- Wordt het bericht Testing Complete, No trouble was found afgebeeld?
- Nee: Er is nog steeds een probleem. Neem contact op met uw serviceprovider.
- Ja: Ga naar stap 13.
- Wanneer u de instellingen voor de serviceprocessor of het netwerk hebt gewijzigd,
zoals beschreven in de voorgaande instructies, zet u de instellingen terug naar de waarden zoals die
golden voorafgaand aan het systeemonderhoud.
- Als de indicatielampjes blijven branden, voert u de volgende stappen uit:
- Selecteer de optie Identify and Attention Indicators in het menu Task Selection om de attentie- en indicatielampjes uit te schakelen. Druk op Enter.
- Selecteer Set System Attention Indicator to NORMAL en druk op
Enter.
- Selecteer Set All Identify Indicators to NORMAL en druk op
Enter.
- Kies Commit.
Opmerking: Hierdoor schakelen de attentie- en indicatielampjes
over van de Fout-status naar de Normale status.
- Ga naar de opdrachtregel.