Virtueel Ethernet voor logische partities met Linux

De technologie van virtueel Ethernet wordt ondersteund in versie 2.4 en 2.6 van de Linux-kernel op POWER5-hardware. Virtueel Ethernet technologie maakt communicatie op basis van het IP mogelijk tussen logische partities op hetzelfde systeem met behulp van een VLAN-softwareswitch in POWER5-systemen. De bridge-module van de Linux-kernel maakt het, samen met het pakket met bridge-programma's, voor logische partities mogelijk om met andere systemen te communiceren zonder dat er aan die logische partities fysieke Ethernet-sleuven hoeven te worden toegewezen.

Virtuele netwerken en anderePOWER5-technieken voor virtualisatie bieden een grotere flexibiliteit in configuratiescenario's. Werkzaamheden kunnen eenvoudig en stabiel worden uitgevoerd met meer controle over de resourcetoewijzing. Ook de beschikbaarheid van het netwerk kan worden verbeterd en uitgebreid voor meer systemen met minder resources. Dit wordt gerealiseerd met een combinatie van virtueel Ethernet, de bridge kernelmodule en de bonding kernelmodule. Als er niet genoeg fysieke sleuven aanwezig zijn om aan elke LPAR een eigen fysieke netwerkadapter toe te wijzen, geniet netwerktoegang via virtueel Ethernet en de bridge-kernelmodule de voorkeur boven IP-doorzending ("forwarding"), aangezien dit geen complicerende factor vormt binnen de topologie van het IP-netwerk.

IBM System p5 en eServer p5-hardware ondersteunt inter-LPAR-communicatie met behulp van virtuele netwerken. Virtuele Ethernet-adapters worden aangesloten op een virtuele Ethernet-switch volgens de IEEE 802.1q-norm (VLAN). Dankzij deze switchfunctie kunnen logische partities met elkaar communiceren door middel van virtuele Ethernet-adapters en het toewijzen van VLAN-ID's (VID) die het mogelijk maken dat ze gezamenlijk hetzelfde logische netwerk gebruiken. Het maken van virtuele Ethernet-adapters en toewijzen van VID's gebeurt met de Hardware Management Console. Het systeem verzendt pakketjes door een pakketje direct te kopiëren uit het geheugen van de verzendende partitie en te plaatsen in de buffer van de ontvangende partitie, zonder dat het pakket daartussen wordt gebufferd.

Het aantal virtuele Ethernet-adapters voor elke LPAR is voor elk besturingssysteem verschillend. Versie 2.4 van de Linux-kernel ondersteunt maximaal 100 virtuele Ethernet-adapters, terwijl versie 2.6 van de Linux-kernel maximaal 32 768 virtuele Ethernet-adapters ondersteunt. Naast een Primair VID (PVID)kunnen er voor elke virtuele Ethernet-adapter maximaal 19 VID-waarden worden toegewezen, hetgeen betekent dat elke virtuele Ethernet-adapter kan worden gebruikt voor toegang tot 20 netwerken. De HMC genereert een lokaal beheerd Ethernet-MAC-adres voor de virtuele Ethernet-adapters, zodat deze adressen geen conflict opleveren met MAC-adressen van fysieke Ethernet-adapters. Om te garanderen dat elke virtuele Ethernet-adapter een uniek adres heeft, wordt bij het genereren van het adres uitgegaan van het serienummer van het systeem, het LPAR-ID en het adapter-ID.

Bij gebruik van Integrated Virtualization Manager is alleen PVID toegestaan (geen extra VLAN's) en mag de PVID alleen 1-4 zijn. Bij gebruik van Virtual Partition Manager kan elke partitie voor elke PVID van 1-4 maximaal één virtuele Ethernet-adapter hebben.

Voor besturingssystemen die overweg kunnen met VLAN's ("VLAN-unaware"), wordt elke virtuele Ethernet-adapter gemaakt met alleen een PVID (geen extra VID-waarden) en zorgt de POWER hypervisor ervoor dat de VLAN-tags van de packets worden verwijderd voordat ze bij die LPAR worden. In geval van systemen die zich wel bewust zijn van VLAN's ("VLAN-aware"), zoals Linux met de VLAN-module, kunt u extra VID-waarden toewijzen naast de PVID en verwijdert de POWER hypervisor de tags van alle binnenkomende pakketten die een PVID-tag hebben. Omdat elke LPAR een groot aantal virtuele Ethernet-adapters ondersteunt, kunt u meerdere virtuele Ethernet-adapters gebruiken, waarbij elke adapter wordt gebruikt voor toegang tot slechts één netwerk. Daardoor hoeft u alleen PVID toe te wijzen en voorkomt u de toewijzing van extra VID's. Dit heeft ook het voordeel dat er geen extra VLAN-configuratie is vereist voor het besturingssysteem dat de virtuele Ethernet-adapters gebruikt.

Nadat u een specifiek virtueel Ethernet geschikt hebt gemaakt voor een partitie, wordt een apparaat met de naam ethX gemaakt in de partitie. De gebruiker kan vervolgens de TCP/IP-configuratie instellen voor communicatie met andere partities op dezelfde manier als een fysiek Ethernet-apparaat.


Feedback verzenden | Beoordeel deze pagina