Schijf

Schijfstations kunnen worden geëxporteerd door de Virtuele I/O-server. Dit onderwerp biedt informatie over de typen schijven en configuraties die worden ondersteund.

De Virtuele I/O-server ondersteunt het exporteren van SCSI-schijven. Dit worden virtuele SCSI-schijven genoemd. Alle virtuele SCSI-schijven moeten een fysiek opslagapparaat als backup hebben. Hiervoor kunnen twee soorten opslagmedia worden gebruikt: Ongeacht of een virtuele SCSI-schijf door een fysieke schijf of een logisch volume wordt ondersteund, blijven alle standaard SCSI-regels van toepassing op het apparaat. Het virtuele SCSI-apparaat gedraagt zich als een standaard-SCSI-apparaat en kan bijvoorbeeld dienst doen als een opstartapparaat of als NIM-doellocatie (Network Installation Management).

Virtual SCSI Client Adapter Path Timeout

Met de functie Virtual SCSI (VSCSI) Client Adapter Path Timeout kan de clientadapter vaststellen of een Virtuele I/O-server niet reageert op I/O-aanvragen. Het wordt aangeraden om deze functie alleen in te schakelen in configuraties waarin apparaten beschikbaar zijn voor een clientpartitie van verschillende Virtuele I/O-servers. Deze configuraties kunnen configuraties zijn waarbij MPIO (Multipath I/O) wordt gebruikt of waarbij een volumegroep wordt gespiegeld door apparaten op verschillende Virtuele I/O-servers.

Als er geen I/O-aanvragen, die naar de VSCSI-serveradapter zijn gestuurd, worden behandeld binnen het aantal seconden dat is opgegeven in de timeoutwaarde van het VSCSI-pad, wordt er nog een poging ondernomen om contact te maken met de VSCSI-serveradapter, waarbij maximaal 60 seconden wordt gewacht op een reactie.

Als er na 60 seconden nog steeds geen reactie van de serveradapter is, vervallen alle uitstaande I/O-aanvragen voor die adapter en wordt er een fout weggeschreven in het foutenlogboek van de clientpartitie. Als MPIO wordt gebruikt, worden de I/O-aanvragen door de MPIO Path Control Module opnieuw geprobeerd via een ander pad. In andere gevallen worden de mislukte aanvragen teruggestuurd naar de toepassingen. Als de apparaten op deze adapter deel uitmaken van een gespiegelde volumegroep, worden die apparaten gemarkeerd als ontbrekende apparaten en worden er door de Logical Volume Manager fouten vastgelegd in het foutenlogboek van de clientpartitie. Als een van de mislukte apparaten de volumegroep rootvg voor de partitie is en de rootvg niet beschikbaar is via een ander pad of niet wordt gespiegeld op een andere Virtuele I/O-server, wordt de clientpartitie waarschijnlijk afgesloten. De VSCSI-clientadapter probeert de communicatie met de Virtuele I/O-server te herstellen en legt een bericht vast in het systeemfoutenlogboek als dit mogelijk is. Gespiegelde volumegroepen moet handmatig opnieuw worden gesynchroniseerd door de opdracht varyonvg uit te voeren als de ontbrekende apparaten opnieuw beschikbaar zijn.

Er is een configureerbaar ODM-kenmerk van de VSCSI-clientadapter, vscsi_path_to, beschikbaar. Dit kenmerk wordt gebruikt om aan te geven of de functie is ingeschakeld en om de timeoutwaarde van het pad op te slaan als de functie is ingeschakeld.

De systeembeheerder stelt het ODM-kenmerk in op 0 om de functie uit te schakelen of stelt dit kenmerk in op de tijd (in seconden) die moet worden gewacht voordat wordt gecontroleerd of het pad naar de serveradapter is mislukt. Als de functie is ingeschakeld, is een minimuminstelling van 30 seconden vereist. Als er een instelling tussen 0 en 30 seconden wordt ingevoerd, wordt de waarde gewijzigd in 30 seconden tijdens de volgende herconfiguratie of herstart van de adapter.

Deze functie wordt standaard uitgeschakeld. De standaardwaarde van vscsi_path_to is daarom 0. Wees voorzichtig bij het instellen van deze waarde en onthoud dat wanneer de VSCSI-serveradapter de I/O-aanvraag behandelt, het opslagapparaat waarnaar de aanvraag wordt verzonden lokaal kan zijn voor de VIO-server of zich op een SAN kan bevinden.

Het kenmerk van de clientadapter vscsi_path_to kan worden ingesteld met het hulpprogramma SMIT of met behulp van de opdracht chdev -P. De instelling van het kenmerk kan ook worden bekeken met behulp van SMIT of de opdracht lsattr. De instelling wordt pas geactiveerd als de adapter opnieuw wordt geconfigureerd of als de computer opnieuw wordt gestart.


Feedback verzenden|Deze pagina beoordelen