Instructies voor het beheren van netwerkkenmerken.
U kunt met verschillende Virtuele I/O-server-opdrachten, waaronder chdev, mkvdev en cfglnagg, apparaat- of netwerkkenmerken wijzigen. Hier worden de kenmerken behandeld die kunnen worden gewijzigd.
| Kenmerk | Beschrijving |
|---|---|
| Maximum Transmission Unit (mtu) | Hiermee wordt de MTU (Maximum Transmission Unit) opgegeven. Deze waarde kan elk getal tussen 60 en 65535 zijn, maar is afhankelijk van het opslagmedium. |
| Interface State (state) |
|
| Network Mask (netmask) | Hiermee wordt aangegeven welk gedeelte van het adres moet worden gereserveerd om
netwerken onder te verdelen in subnetwerken. Het mask bevat zowel het netwerkgedeelte van het lokale adres als het subnetgedeelte, dat uit het hostveld van het adres wordt overgenomen. Het masker kan worden opgegeven als een enkel hexadecimaal getal dat begint met 0x en de decimale standaardnotatie met punten heeft. In het uit 32 bits bestaande adres bevat het masker bits met de waarde 1 voor de bitposities die voor de netwerk- en subnetonderdelen zijn gereserveerd en een bit met de waarde 0 voor de bitposities waarmee de host wordt aangegeven. Het masker bevat het standaard-netwerkgedeelte en het subnetsegment sluit aan op het netwerksegment. |
| Kenmerk | Beschrijving |
|---|---|
| PVID (pvid) | Geeft de PVID aan die voor de gemeenschappelijke Ethernet adapter moet worden gebruikt. |
| PVID adapter (pvid_adapter) | Geeft de virtuele standaardadapter aan die pakketten zonder VLAN-labels moet worden gebruikt. |
| Physical adapter (real_adapter) | Geeft de fysieke adapter aan die aan de gemeenschappelijke Ethernet-adapter is gekoppeld. |
| Thread (thread) | Hiermee activeert of deactiveert u threading op de
gemeenschappelijke Ethernet-adapter. Inschakelen van deze optie leidt tot
ongeveer 16% tot 20% meer overhead voor MTU 1500 streaming en 31% tot 38% meer
overhead voor MTU 9000. De threading-optie veroorzaakt meer overhead bij lagere
werkbelasting doordat de threads worden gestart voor elk pakket. Bij een hogere
werkbelasting, zoals full duplex of aanvraag-responswerkbelasting, kunnen
threads langer worden zonder wachttijd of opnieuw verzenden.
De threadwerkstand moet worden gebruikt als Virtual SCSI wordt uitgevoerd in dezelfde Virtuele I/O-server-partitie als Shared Ethernet adapter. De threadwerkstand zorgt ervoor dat Virtual SCSI en Shared Ethernet adapter de processorresource kunnen delen. Threading voegt echter instructies toe aan het pad, waardoor extra processorcycli worden gebruikt. Als de Virtuele I/O-server-partitie vast wordt toegewezen voor uitsluitend het uitvoeren van gemeenschappelijke Ethernet-apparaten (en bijbehorende virtuele Ethernet-apparaten), moeten de adapters worden geconfigureerd met threading uitgeschakeld. U kunt threading inschakelen en uitschakelen met de optie
-attr thread van de opdracht mkvdev. Om
threading in te schakelen, gebruikt u de optie -attr thread=1. Om
threading uit te schakelen, gebruikt u de optie -attr thread=0.
Voorbeeld: Met
de volgende opdracht wordt threading uitgeschakeld voor de gemeenschappelijke
Ethernet-adapter ent1:
mkvdev -sea ent1 -vadapter ent5 -default ent5 -defaultid 1 -attr thread=0 |
| Virtual adapters (virt_adapter) | Geeft een lijst weer met de virtuele Ethernet-adapters die zijn gekoppeld aan de gemeenschappelijke Ethernet-adapter. |
| TCP segmentation offload (largesend) | Hiermee wordt de TCP-largesendvoorziening (ook bekend als segmentatieverzending) ingeschakeld van logische partities naar de fysieke adapter.
De fysieke adapter moet zijn ingeschakeld voor TCP-largesend om de segmentatieverzending van de LPAR naar de SEA te kunnen gebruiken. Ook moet de LPAR een largesend-bewerking kunnen uitvoeren.
Op AIX,
kan largesend op een LPAR worden ingeschakeld met de opdracht ifconfig. U kunt TCP-largesend in- of uitschakelen met de optie -a largesend van de opdracht chdev. Als u de optie wilt inschakelen, gebruikt u de optie '-a largesend=1'. Als u de optie wilt uitschakelen, gebruikt u de optie '-a largesend=0'. Met de volgende opdracht wordt largesend bijvoorbeeld ingeschakeld voor SEA (Shared Ethernet Adapter)
ent1:
chdev -l ent1 -a largesend=1 Deze instelling is standaard uitgeschakeld (largesend=0). |
| Kenmerk | Beschrijving |
|---|---|
| Modus high availability (ha_mode) | Bepaalt of de apparatuur deelneemt aan een failoverinstallatie. De standaardwaarde is disabled. Normaal gesproken werkt een gemeenschappelijke Ethernet-adapter in een failoverinstallatie in de modus auto en wordt de primaire adapter bepaald op basis van de welke adapter de hoogste prioriteit heeft (laagste numerieke waarde). Een gemeenschappelijk Ethernet-apparaat kan in de standby-modus worden gedwongen, waar het apparaat zich gedraagt als het backupapparaat mits het de aanwezigheid van een functioneel primair apparaat kan vaststellen. |
| Control Channel (ctl_chan) | Hiermee stelt u het virtuele Ethernet-apparaat dat vereist is voor een gemeenschappelijke Ethernet-adapter in een failoverconfiguratie zodanig in dat het met de andere adapter kan communiceren. Dit kenmerk heeft geen standaardwaarde en is een vereist kenmerk wanneer de ha_mode niet op disabled is ingesteld. |
| Internet address to ping (netaddr) | Optioneel kenmerk dat kan worden opgegeven voor een gemeenschappelijke Ethernet-adapter die is geconfigureerd in een failoverinstallatie. Wanneer dit kenmerk wordt ingesteld, zal een gemeenschappelijk Ethernet-apparaat regelmatig het IP-adres pingen om de verbinding te controleren (naast het controleren van de koppelingsstatus van de fysieke apparaten). Als er een verlies van de verbinding met de opgegeven pinghost wordt geconstateerd, wordt er verbinding gemaakt met de gemeenschappelijke Ethernet-adapter die als failoverapparaat is ingesteld. |
| Kenmerk | Beschrijving |
|---|---|
| Host Name (hostname) | Hiermee geeft u de hostnaam op die u aan de huidige machine wilt toewijzen. Gebruik ASCII-tekens, liefst alleen alfanumerieke tekens, als u de hostnaam opgeeft. Gebruik geen punten in de hostnaam. Gebruik geen hexadecimale of decimale waarden voor het eerste teken (bijvoorbeeld 3Comm, waarbij 3C kan worden geïnterpreteerd als een hexadecimaal teken). De ongekwalificeerde hostnaam moet korter zijn dan 32 tekens, zodat de naam compatibel is met eerdere hosts. Als de host een domeinnaamserver voor de naamomzetting gebruikt, moet de hostnaam de volledige domeinnaam bevatten. In het hiërarchische domeinnaamsysteem bestaan namen
uit een reeks niet hoofdlettergevoelige subnamen die door punten van elkaar
worden gescheiden en geen ingesloten spaties bevatten. Voor het DOMAIN-protocol geldt dat een lokale domeinnaam korter dan 64 tekens moet zijn en
dat een hostnaam korter dan 32 tekens moet zijn. De hostnaam wordt als eerste opgegeven. Desgewenst kunt u de volledige domeinnaam opgeven; de hostnaam
wordt gevolgd door een punt, een serie lokale domeinnamen die met punten van elkaar worden gescheiden en
tenslotte het hoofddomein. Een opgegeven volledige domeinnaam voor een host moet, inclusief punten, korter dan 255 tekens zijn en de volgende notatie hebben:
host.subdomain.subdomain.rootdomain In een hiërarchisch netwerk worden bepaalde hostservers aangewezen als naamservers waarmee namen worden omgezet in internetadressen voor andere hosts. Dit heeft twee voordelen ten opzichte van een platte naamruimte: resources van elke host op het netwerk hoeven zich niet bezig te houden met het omzetten van namen, en de persoon die het systeem beheert, hoeft geen naamomzettingsbestanden bij te houden op elke computer in het netwerk. De verzameling namen die door een enkele naamserver wordt beheerd, wordt de machtigingszone genoemd. |
| Gateway (gateway) | Hiermee wordt de gateway opgegeven waaraan pakketten worden geadresseerd. De parameter Gateway kan met een symbolische naam of een numeriek adres worden aangegeven. |
| Route (route) | Hiermee wordt de route opgegeven. De notatie van het kenmerk Route is: route=destination, gateway, [metric].
|
| Kenmerk | Adapters/stuurprogramma's | Beschrijving |
|---|---|---|
| Media Speed (media_speed) |
|
Het kenmerk Media Speed geeft de snelheid aan die de adapter kan behalen. De beschikbare snelheden zijn 10 Mbps half duplex, 10 Mbps duplex, 100 Mbps half duplex, 100 Mbps duplex en automatische afstemming. Automatische afstemming is de standaardwaarde. Selecteer de optie voor automatische afstemming als de adapter automatische afstemming voor het netwerk moet gebruiken om de snelheid te bepalen. Als het netwerk geen automatische afstemming ondersteunt, moet u een specifieke snelheid selecteren. 1000 MBps half duplex en duplex zijn geen geldige waarden. Volgens de IEEE 802.3z-specificatie, moeten gigabitsnelheden met een bepaalde duplexwaarde automatisch worden afgestemd voor koperen (TX-)adapters. Als deze snelheden gewenst zijn, kiest u de optie voor automatische afstemming. |
| Media Speed (media_speed) |
|
Het kenmerk Media Speed geeft de snelheid aan die de adapter kan behalen. De beschikbare snelheden zijn 1000 Mbps duplex en automatische afstemming. De standaardwaarde is automatische afstemming. Selecteer de optie voor automatische afstemming als de adapter automatische afstemming voor het netwerk moet gebruiken om het gebruik van duplex te bepalen. Als het netwerk geen automatische afstemming ondersteunt, selecteert u 1000 Mbps duplex. |
| Media Speed (media_speed) |
|
Het kenmerk Media Speed geeft de snelheid aan die de adapter kan behalen. De beschikbare snelheden zijn 10 Mbps half duplex, 10 Mbps duplex, 100 Mbps half duplex, 100 Mbps duplex en automatische afstemming. Automatische afstemming is de standaardwaarde. Selecteer de optie voor automatische afstemming als de adapter automatische afstemming voor het netwerk moet gebruiken om de snelheid te bepalen. Als het netwerk geen automatische afstemming ondersteunt, moet u een specifieke snelheid selecteren. Als de optie voor automatische afstemming is geselecteerd, moet voor het verbindingsapparaat op afstand ook de automatische afstemming worden ingesteld om ervoor te zorgen dat de verbinding juist functioneert. |
| Media Speed (media_speed) |
|
Het kenmerk Media Speed geeft de snelheid aan die de adapter kan behalen. De beschikbare snelheden zijn 10 Mbps half duplex, 10 Mbps duplex, 100 Mbps half duplex, 100 Mbps duplex en automatische afstemming. Automatische afstemming is de standaardwaarde. Selecteer de optie voor automatische afstemming als de adapter automatische afstemming voor het netwerk moet gebruiken om de snelheid te bepalen. Als het netwerk geen automatische afstemming ondersteunt, moet u een specifieke snelheid selecteren. Als u wilt dat de adapter met een snelheid van 1000 Mbit/s wordt uitgevoerd, moet de instelling voor automatische afstemming zijn geselecteerd. Opmerking: Voor de Gigabit Ethernet-SX PCI-adapter is de automatische afstemming de enige beschikbare keuze.
|
| Enable Alternate Ethernet Address (use_alt_addr) | Als u voor dit kenmerk de waarde yes opgeeft, geeft u aan dat het adres van de adapter, zoals deze op het netwerk voorkomt, het adres is dat met het kenmerk Alternate Ethernet Address is opgegeven. Als u de waarde no opgeeft, wordt het unieke adapteradres gebruikt dat in een ROM op de adapterkaart is weggeschreven. De standaardwaarde is no. | |
| Alternate Ethernet Address (alt_addr) | Met dit kenmerk kan het unieke adres van de adapter, zoals deze op het LAN-netwerk voorkomt, worden gewijzigd. De ingevoerde waarde moet een Ethernet-adres zijn van 12 hexadecimale getallen en mag niet hetzelfde zijn als het adres van een andere Ethernet-adapter. Er is geen standaardwaarde. Dit veld heeft geen effect, tenzij voor het kenmerk Enable Alternate Ethernet Address de waarde yes wordt opgegeven. In dat geval moet dit veld worden ingevuld. Een typisch Ethernet-adres is 0x02608C000001. Alle 12 hexadecimale getallen, inclusief de voorafgaande nullen, moeten worden ingevoerd. | |
| Enable Link Polling (poll_link) |
|
Geef yes op als u wilt dat het stuurprogramma een polling op de adapter uitvoert om de status van de verbinding na een opgegeven tijdsinterval vast te stellen. De waarde van het tijdsinterval wordt opgegeven in het veld Poll Link Time Interval. Als u de waarde no opgeeft, zal het stuurprogramma geen polling op de adapter uitvoeren om de status vast te stellen. De standaardwaarde is no. |
| Poll Link Time Interval (poll_link_time) |
|
De hoeveelheid tijd, in milliseconden, tussen polling van de adapter die voor het stuurprogramma is toegestaan om de verbindingsstatus vast te stellen. Deze waarde is verplicht als voor de optie Enable Link Polling de waarde yes is opgegeven. Er kan een waarde tussen 100 en 1000 worden opgegeven. De waarde van de stapsgewijze verhoging is 10. De standaardwaarde is 500. |
| Flow Control (flow_ctrl) |
|
Met dit kenmerk wordt opgegeven of de adapter het verzenden en ontvangen van de gegevensstroombesturing moet inschakelen. De standaardwaarde is no. |
| Transmit Jumbo Frames (jumbo_frames) |
|
Als voor dit kenmerk de waarde yes wordt opgegeven, wordt daarmee aangegeven dat frames, die maximaal 9018 byte lang zijn, op deze adapter mogen worden verzonden. Als u de waarde no opgeeft, bedraagt de maximumgrootte van de verzonden frames 1518 byte. Frames die kleiner zijn dan 9018 byte kunnen altijd op deze adapter worden ontvangen. |
| Checksum Offload (chksum_offload) |
|
Als voor dit kenmerk de waarde yes wordt opgegeven, wordt aangegeven dat de
adapter het controlegetal voor verzonden en ontvangen TCP-frames berekent. Als u de waarde no
opgeeft, wordt het controlegetal berekend door de van toepassing zijnde software. Wanneer controlegetal verzenden voor een virtuele Ethernet-adapter is ingeschakeld, verzendt de adapter dit getal naar de Hypervisor. De Hypervisor houdt bij voor welke virtuele Ethernet-adapters het verzenden van het controlegetal is ingeschakeld en beheert dienovereenkomstig de communicatie tussen de partities. Wanneer er netwerkpakketten via de gemeenschappelijke Ethernet-adapter worden doorgestuurd, bestaat het risico op koppelingsfouten. In deze omgeving moeten de pakketten de fysieke koppeling passeren met een controlegetal. De communicatie verloopt als volgt:
Om controlegetal verzenden voor een gemeenschappelijke Ethernet-adapter mogelijk te maken, moet deze functie ook voor alle samenstellende apparaten zijn ingeschakeld. Het gemeenschappelijke Ethernet-apparaat werkt niet wanneer de onderliggende apparaten geen gebruikmaken van dezelfde instellingen voor controlegetal verzenden. |
| Enable Hardware Transmit TCP Resegmentation (large_send) |
|
Met dit kenmerk wordt opgegeven of de adapter verzend-TCP-segmenten opnieuw moet segmenteren. De standaardwaarde is no. |
| Kenmerk | Beschrijving |
|---|---|
| Link aggregation adapters (adapter_names) | Hiermee worden de adapters opgegeven waaruit het linkaggregatieapparaat momenteel bestaat. Als u deze adapters wilt wijzigen, kunt u dit kenmerk wijzigen en alle adapters selecteren die deel moeten uitmaken van het linkaggregatieapparaat. Als u dit kenmerk gebruikt om alle adapters te selecteren die deel van het linkaggregatieapparaat moeten uitmaken, moet er voor de interface geen IP-adres zijn geconfigureerd. |
| Mode (mode) | Hiermee wordt het type kanaal aangegeven dat is geconfigureerd. In de werkstand
'standard' verzendt het kanaal de pakketten naar de adapter op basis van een algoritme (de waarde die voor
deze berekening wordt gebruikt, wordt bepaald door het kenmerk Hash Mode).
In de werkstand 'round_robin'
geeft het kanaal één pakket aan elke adapter voordat deze lus wordt herhaald. De standaardwerkstand is
'standard'. In de werkstand '8023ad' kan het LACP (link aggregation control protocol) via een voor LACP geschikte switch een verbinding maken met de adapters in het linkaggregatieapparaat. Als voor het kenmerk Hash Mode een andere waarde dan de standaardwaarde is ingesteld, moet dit kenmerk worden ingesteld op 'standard' of '8023ad'. Anders mislukt de configuratie van het linkaggregatieapparaat. |
| Hash Mode (hash_mode) | Als u werkt in de standaardwerkstand of de IEEE 802.3ad-werkstand, bepaalt het kenmerk
Hash Mode hoe de uitgaande adapter voor elk pakket wordt gekozen. Dit zijn de werkstanden:
U kunt de werkstand 'round-robin' alleen gebruiken als voor het kenmerk Hash Mode de werkstand 'default' wordt gebruikt. De configuratie van het linkaggregatieapparaat mislukt als u deze combinatie gebruikt. Als het pakket geen TCP of UDP is, wordt de werkstand 'default' van het kenmerk Hash Mode (doel-IP-adres) gebruikt. Als u TCP- of UDP-poorten voor hashing gebruikt, kunnen de adapters in het linkaggregatieapparaat beter worden gebruikt, omdat verbindingen met hetzelfde doel-IP-adres via verschillende adapters kunnen worden verzonden (terwijl de volgorde van de pakketten behouden blijft) waardoor de bandbreedte van het linkaggregatieapparaat wordt vergroot. |
| Internet Address to Ping (netaddr) | Dit veld is optioneel. Hiermee wordt het IP-adres aangegeven dat door het linkaggregatieapparaat moet worden gepingd om te controleren of het netwerk actief is. Dit geldt alleen als er een backupadapter aanwezig is en als het linkaggregatieapparaat uit slechts één adapter bestaat. Een adres met waarde nul (of allemaal nullen) wordt genegeerd en verhindert het verzenden van ping-pakketten als er eerder een geldig adres was gedefinieerd. Dit veld wordt standaard niet ingevuld. |
| Retry Timeout (retry_time) | Dit veld is optioneel. Dit veld bepaald hoe vaak het linkaggregatieapparaat een ping-pakket verzendt om een polling van de verbindingsstatus van de huidige adapter uit te voeren. Dit geldt alleen als er voor het linkaggregatieapparaat slechts één adapter en een backupadapter zijn gedefinieerd en het veld Internet Address to Ping een adres bevat dat niet uit nullen bestaat. Geef de timeoutwaarde in seconden op. Het bereik met geldige waarden is 1 tot met 100 seconden. De standaardwaarde is 1 seconde. |
| Number of Retries (num_retries) | Dit veld is optioneel. Met dit veld wordt het aantal ping-pakketten aangegeven dat verloren gaat voordat het linkaggregatieapparaat van adapter wisselt. Dit geldt alleen als het kanaal slechts één adapter en een backupadapter heeft en het veld Internet Address to Ping een adres bevat dat niet uit nullen bestaat. Het bereik met geldige waarden is 2 tot met 100 herhalingspogingen. De standaardwaarde is 3. |
| Enable Gigabit Ethernet Jumbo Frames (use_jumbo_frame) | Dit veld is optioneel. Om dit kenmerk te kunnen gebruiken, moet de switch jumboframes ondersteunen. Dit werkt alleen met een standaard Ethernet-interface (en) en niet met een IEEE 802.3-interface (et). |
| Enable Alternate Address (use_alt_addr) | Dit veld is optioneel. Als u voor deze optie 'yes' opgeeft, kunt u een MAC-adres opgeven dat door het linkaggregatieapparaat moet worden gebruikt. Als u voor deze optie 'no' opgeeft, gebruikt het linkaggregatieapparaat het MAC-adres van de eerste adapter. |
| Alternate Address (alt_addr) | Als voor het kenmerk Enable Alternate Address de waardeyes is opgegeven, moet u het MAC-adres opgeven dat u wilt gebruiken. Het adres dat u opgeeft, moet beginnen met 0x en moet een uit 12 cijfers bestaand hexadecimaal adres zijn. |
| Kenmerk | Value |
|---|---|
| VLAN Tag ID (vlan_tag_id) | Hiermee wordt het unieke ID aangegeven dat bij het VLAN-stuurprogramma hoort. U kunt een waarde tussen 1 en 4094 opgeven. |
| Base Adapter (base_adapter) | Hiermee wordt de netwerkadapter aangegeven waarmee het VLAN-stuurprogramma is verbonden. |