Instructies voor het beheer van virtuele opslagapparatuur en logische volumes.
Het toewijzen van virtuele schijfresources vindt plaats op de Virtuele I/O-server. Fysieke schijven die eigendom zijn van de Virtuele I/O-server kunnen worden geƫxporteerd en als geheel aan een clientpartitie worden toegewezen of kunnen in logische volumes worden gepartitioneerd. Deze logische volumes kunnen als virtuele schijven worden geƫxporteerd naar een of meer clientpartities. Hierdoor maakt Virtual SCSI het gemeenschappelijk gebruik mogelijk van adapters en schijfstations.
Om een fysiek of logisch volume beschikbaar te maken voor een clientpartitie is het nodig dat het volume aan een Virtual SCSI-serveradapter op de Virtuele I/O-server kan worden toegewezen. De SCSI-clientadapter is gekoppeld aan een bepaalde virtuele SCSI-serveradapter in de Virtuele I/O-server-partitie. De clientpartitie opent de toegewezen schijven via de Virtual SCSI-clientadapter. De Virtuele I/O-server-clientadapter ziet de standaard SCSI-apparaten en LUN's via deze virtuele adapter. Als schijfresources aan een SCSI-serveradapter in de Virtuele I/O-server zijn toegewezen, worden resources effectief aan een SCSI-clientadapter in de clientpartitie toegewezen.
Voor informatie over SCSI-apparaten die u kunt gebruiken, raadpleegt u de website Virtuele I/O-server.