| 01 |
Als u de inschakelingsparameters of -instellingen op
de HMC wilt bekijken, gaat
u als volgt te werk:
- In het navigatiegebied opent u de map Server en partitie.
- Klik op Serverbeheer.
- In het gegevensgebied opent u de server waarop de logische partitie zich bevindt.
- Kies een van de volgende opties:
- Als u de inschakelingsparameters van een server wilt bekijken, klikt u met
de rechtermuisknop op de server en selecteert u
Eigenschappen.
Selecteer het tabblad
Inschakelingsparameters. De parameters worden afgebeeld.
- Als u de inschakelingsparameters van een logische partitie wilt bekijken,
klikt u met de rechtermuisknop op de partitie en selecteert u
Eigenschappen. Klik op het tabblad Instellingen.
|
| 02 |
Om een langzame opstartprocedure uit te voeren op de
HMC, gaat u als volgt te
werk:- Klik in het navigatiegebied op
- Kies in het gegevensgebied de server waarop u een langzame opstartprocedure wilt uitvoeren.
- Klik op .
- Klik op het tabblad Netspanningsparameters.
- Klik in het deelvenster Geavanceerde opties op de knop Details weergeven.
- Klik op slow in de lijst met snelheden.
- Klik op OK.
|
| 03 |
Als u de
HMC opnieuw wilt opstarten,
gaat u als volgt te werk:
- In het navigatiegebied opent u de map Server en partitie.
- Klik op Serverbeheer.
- In het gegevensgebied opent u de server waarop de logische partitie zich bevindt.
- Open Partities.
- Klik met de rechtermuisknop op het profiel van de logische partitie en kies
Partitie opnieuw starten.
- Klik in het venster Partitie opnieuw opstarten op de opstartoptie Onmiddellijk.
|
| 04 |
Als u de lampjestest wilt uitvoeren met de
serviceprogramma's van Service Focal Point, gaat u als volgt te werk: - In het navigatiegebied opent u de map
Servicetoepassingen.
- Klik op Service Focal Point.
- Klik in het gegevensgebied op Servicefuncties.
- In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
- Klik op .
|
| 05-06 |
Het logboek voor service-events bekijken. Raadpleeg voor meer informatie over het bekijken van service-events Service-events bekijken. |
| 07 |
De ASMI (Advanced System Management Interface) gebruiken
om I/O-behuizingen te configureren. Als
u de ASMI wilt openen, gaat u als volgt te werk: - In het navigatiegebied opent u de map
Servicetoepassingen.
- Klik op Service Focal Point.
- Klik in het gegevensgebied op Servicefuncties.
- In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
- In het menu Geselecteerd klikt u op ASM-menu
starten. De ASMI-interface wordt geopend.
Raadpleeg voor meer informatie over het configureren van I/O-behuizingen I/O-behuizingen configureren. |
| 08 |
De logische partitie uitschakelen. Als u een logische partitie wilt uitschakelen, gaat u als volgt te werk: - In het navigatiegebied opent u de map Server en partitie.
- Klik op Serverbeheer.
- In het gegevensgebied opent u de server waarop de logische partitie zich bevindt.
- Open Partities.
- Klik met de rechtermuisknop op de logische partitie en klik op
Partitie afsluiten.
- Klik op een afsluitoptie en klik op OK.
De optie Onmiddellijk is hetzelfde als de optie Snel uitschakelen. De optie Vertraagd komt overeen met het uitschakelen
via de witte knop.
|
| 09-10 |
Gereserveerd. |
| 11-19 |
Als u de referentiecode op de
HMC wilt bekijken, gaat u
als volgt te werk:- In het navigatiegebied opent u de map Server en partitie.
- Klik op Serverbeheer.
- Kies een van de volgende opties:
- U bekijkt als volgt referentiecodes (functie 11): Selecteer in het
rechtervenster het systeem of de partitie en bekijk de bijbehorende waarde in
de kolom Waarde bedieningspaneel.
- U bekijkt de referentiecode (functie 12-19) als volgt:
- Vouw het systeem uit in het rechterdeelvenster.
- Selecteer het systeem of de partitie.
- Klik met de rechtermuisknop op het systeem of de partitie en kies
Eigenschappen.
- Klik op het tabblad Referentiecode.
- Selecteer het item met de tijdsaanduiding die u wilt bekijken.
- Klik op Details.
- Bekijk de waarden die corresponderen met de woorden 2-9 en FRU-callout. Deze nummers komen overeen met functies 12-19 op het bedieningspaneel.
- Zodra u klaar bent, klikt u tweemaal op OK.
|
| 20 |
Om het computertype en -model en de featurecode van de
processor op de HMC af te
beelden, doet u het volgende: - In het navigatiegebied opent u de map
Servicetoepassingen.
- Klik op Service Focal Point.
- In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
- In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
- Klik op
.
- Kies een van de volgende opties:
- U bekijkt als volgt functie 20 voor het geselecteerde systeem: Klik op
.
- U bekijkt als volgt functie 20 voor een logische partitie: Selecteer de
logische partitie in de lijst en selecteer .
|
| 21 |
De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken: - In het navigatiegebied opent u de map
Servicetoepassingen.
- Klik op Service Focal Point.
- In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
- In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
- Klik op
.
- Selecteer de logische partitie en kies vervolgens
Partitiefuncties.
- Klik op DST.
|
| 22 |
Maak een dump van de logische partitie. Ga als
volgt te werk als u een dump wilt maken van een partitie:
- In het navigatiegebied opent u de map Server en partitie.
- Klik op Serverbeheer.
- In het gegevensgebied opent u de server waarop de logische partitie zich bevindt.
- Open Partities.
- Klik met de rechtermuisknop op het profiel van de logische partitie en klik
op Partitie opnieuw starten.
- Klik in het venster Partitie opnieuw starten op de optie
Dump maken.
|
| 23-24 |
Gereserveerd. |
| 25-26 |
Niet meer nodig om functies te openen die vergelijkbaar zijn met 50-70.
|
| 27-32 |
Gereserveerd. |
| 33 |
Deze functie is niet meer vereist. |
| 34 |
Opnieuw proberen een partitiedump te maken. U kunt als
volgt een partitiedump opnieuw maken:
- In het navigatiegebied opent u de map Server en partitie.
- Klik op Serverbeheer.
- In het gegevensgebied opent u de server waarop de logische partitie zich bevindt.
- Open Partities.
- Klik met de rechtermuisknop op het profiel van de logische partitie en klik
op Partitie opnieuw starten.
- Klik in het venster Partitie opnieuw starten op de optie
Dump herhalen.
|
| 35-41 |
Gereserveerd. |
| 42-43 |
Deze functies worden uitgevoerd op het fysieke bedieningspaneel op het beheerde systeem. Gebruik de onderstaande procedure om met dumpgegevens te werken.
De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken:
- In het navigatiegebied opent u de map
Servicetoepassingen.
- Klik op Service Focal Point.
- In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
- In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
- Klik op . Het venster Servicefuncties - Dumps
beheren wordt geopend.
- Gebruik de
opties Geselecteerd en Menu om
uw taak uit te voeren.
|
| 44-49 |
Gereserveerd. |
| 50 |
Wordt niet meer gebruikt. |
| 51 |
Wordt niet meer gebruikt. |
| 52 |
Wordt niet meer gebruikt. |
| 53 |
Open de Advanced System Management-interface (ASMI).
Als
u de ASMI wilt openen, gaat u als volgt te werk: - In het navigatiegebied opent u de map
Servicetoepassingen.
- Klik op Service Focal Point.
- In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
- In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
- Kies ASM-menu starten uit het menu
Geselecteerd. De ASMI-interface wordt geopend.
Raadpleeg voor meer informatie over het ongedaan maken van een
configuratie van een processor met behulp van de ASMI-interface
Processorconfiguratie
wijzigen. |
| 54 |
Gereserveerd. |
| 55 |
De ASMI-interface (Advanced System Management Interface)
gebruiken om een platformdump te starten. Als u de ASMI-interface wilt openen,
gaat u als volgt te werk:- In het navigatiegebied opent u de map
Servicetoepassingen.
- Klik op Service Focal Point.
- In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
- In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
- Kies ASM-menu starten uit het menu
Geselecteerd. De ASMI-interface wordt geopend.
Raadpleeg voor meer informatie over het starten van een platformdump met behulp van ASMI Een platformdump starten. |
| 56-62 |
Gereserveerd. |
| 63 |
De eigenschappen van het beheerde systeem of de eigenschappen van de logische partitie bekijken. Als u de eigenschappen van het beheerde systeem wilt bekijken, raadpleegt
u Informatie over een
beheerd systeem bekijken. Klik op het beheerde systeem in het venster
Eigenschappen op het tabblad Referentiecode en klik
vervolgens op Details.
Als u de eigenschappen van
logische partities wilt bekijken, gaat u als volgt te werk: - In het navigatiegebied opent u de map Server en partitie.
- Klik op Serverbeheer.
- In het gegevensgebied opent u de server waarop de logische partitie zich bevindt.
- Open Partities.
- Klik met de rechtermuisknop op de logische partitie en klik
opEigenschappen.
|
| 64 |
Open de Advanced System Management-interface (ASMI).
Als
u de ASMI wilt openen, gaat u als volgt te werk: - In het navigatiegebied opent u de map
Servicetoepassingen.
- Klik op Service Focal Point.
- In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
- In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
- Kies ASM-menu starten uit het menu
Geselecteerd. De ASMI-interface wordt geopend.
|
| 65 |
De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken: - In het navigatiegebied opent u de map
Servicetoepassingen.
- Klik op Service Focal Point.
- In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
- In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
- Klik op
.
- Selecteer de logische partitie en kies vervolgens
Partitiefuncties.
- Kies de bijbehorende functie van het bedieningspaneel.
|
| 66 |
De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken:- In het navigatiegebied opent u de map
Servicetoepassingen.
- Klik op Service Focal Point.
- In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
- In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
- Klik op
.
- Selecteer de logische partitie en kies vervolgens
Partitiefuncties.
- Kies de bijbehorende functie van het bedieningspaneel.
|
| 67 |
De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken:- In het navigatiegebied opent u de map
Servicetoepassingen.
- Klik op Service Focal Point.
- In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
- In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
- Klik op
.
- Selecteer de logische partitie en klik vervolgens op Partitiefuncties.
- Kies de bijbehorende functie van het bedieningspaneel.
|
| 68 |
De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken:- In het navigatiegebied opent u de map
Servicetoepassingen.
- Klik op Service Focal Point.
- In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
- In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
- Klik op
.
- Selecteer de logische partitie en klik vervolgens op Partitiefuncties.
- Kies de bijbehorende functie van het bedieningspaneel.
|
| 69 |
De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken:- In het navigatiegebied opent u de map
Servicetoepassingen.
- Klik op Service Focal Point.
- In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
- In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
- Klik op
.
- Selecteer de logische partitie en klik vervolgens op Partitiefuncties.
- Kies de bijbehorende functie van het bedieningspaneel.
|
| 70 |
De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken:- In het navigatiegebied opent u de map
Servicetoepassingen.
- Klik op Service Focal Point.
- In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
- In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
- Klik op
.
- Selecteer de logische partitie en klik vervolgens op Partitiefuncties.
- Kies de bijbehorende functie van het bedieningspaneel.
|