Toegang tot de bedieningspaneelfuncties met de HMC

De Hardware Management Console (HMC) gebruiken voor de selectie en activering van bedieningspaneelfuncties.

Met de Hardware Management Console (HMC) kunt u op het bedieningspaneel functies uitvoeren die vroeger op andere bedieningspanelen werden gebruikt. Zie Functiecodes van het bedieningspaneel op de HMC voor informatie over welke bedieningspaneelfuncties er beschikbaar zijn op de HMC. Voor informatie over het uitvoeren van bedieningspaneelacties op de HMC raadpleegt u de volgende tabel:

Functie HMC-actie
01

Als u de inschakelingsparameters of -instellingen op de HMC wilt bekijken, gaat u als volgt te werk:

  1. In het navigatiegebied opent u de map Server en partitie.
  2. Klik op Serverbeheer.
  3. In het gegevensgebied opent u de server waarop de logische partitie zich bevindt.
  4. Kies een van de volgende opties:
    • Als u de inschakelingsparameters van een server wilt bekijken, klikt u met de rechtermuisknop op de server en selecteert u Eigenschappen. Selecteer het tabblad Inschakelingsparameters. De parameters worden afgebeeld.
    • Als u de inschakelingsparameters van een logische partitie wilt bekijken, klikt u met de rechtermuisknop op de partitie en selecteert u Eigenschappen. Klik op het tabblad Instellingen.
02 Om een langzame opstartprocedure uit te voeren op de HMC, gaat u als volgt te werk:
  1. Klik in het navigatiegebied op Server en partitie > Serverbeheer
  2. Kies in het gegevensgebied de server waarop u een langzame opstartprocedure wilt uitvoeren.
  3. Klik op Geselecteerd > Eigenschappen.
  4. Klik op het tabblad Netspanningsparameters.
  5. Klik in het deelvenster Geavanceerde opties op de knop Details weergeven.
  6. Klik op slow in de lijst met snelheden.
  7. Klik op OK.
03

Als u de HMC opnieuw wilt opstarten, gaat u als volgt te werk:

  1. In het navigatiegebied opent u de map Server en partitie.
  2. Klik op Serverbeheer.
  3. In het gegevensgebied opent u de server waarop de logische partitie zich bevindt.
  4. Open Partities.
  5. Klik met de rechtermuisknop op het profiel van de logische partitie en kies Partitie opnieuw starten.
  6. Klik in het venster Partitie opnieuw opstarten op de opstartoptie Onmiddellijk.
04 Als u de lampjestest wilt uitvoeren met de serviceprogramma's van Service Focal Point, gaat u als volgt te werk:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Servicetoepassingen.
  2. Klik op Service Focal Point.
  3. Klik in het gegevensgebied op Servicefuncties.
  4. In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
  5. Klik op Geselecteerd > Lamptest.
05-06 Het logboek voor service-events bekijken. Raadpleeg voor meer informatie over het bekijken van service-events Service-events bekijken.
07 De ASMI (Advanced System Management Interface) gebruiken om I/O-behuizingen te configureren. Als u de ASMI wilt openen, gaat u als volgt te werk:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Servicetoepassingen.
  2. Klik op Service Focal Point.
  3. Klik in het gegevensgebied op Servicefuncties.
  4. In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
  5. In het menu Geselecteerd klikt u op ASM-menu starten. De ASMI-interface wordt geopend.
Raadpleeg voor meer informatie over het configureren van I/O-behuizingen I/O-behuizingen configureren.
08 De logische partitie uitschakelen.
Als u een logische partitie wilt uitschakelen, gaat u als volgt te werk:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Server en partitie.
  2. Klik op Serverbeheer.
  3. In het gegevensgebied opent u de server waarop de logische partitie zich bevindt.
  4. Open Partities.
  5. Klik met de rechtermuisknop op de logische partitie en klik op Partitie afsluiten.
  6. Klik op een afsluitoptie en klik op OK.

De optie Onmiddellijk is hetzelfde als de optie Snel uitschakelen. De optie Vertraagd komt overeen met het uitschakelen via de witte knop.

09-10 Gereserveerd.
11-19 Als u de referentiecode op de HMC wilt bekijken, gaat u als volgt te werk:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Server en partitie.
  2. Klik op Serverbeheer.
  3. Kies een van de volgende opties:
    • U bekijkt als volgt referentiecodes (functie 11): Selecteer in het rechtervenster het systeem of de partitie en bekijk de bijbehorende waarde in de kolom Waarde bedieningspaneel.
    • U bekijkt de referentiecode (functie 12-19) als volgt:
      1. Vouw het systeem uit in het rechterdeelvenster.
      2. Selecteer het systeem of de partitie.
      3. Klik met de rechtermuisknop op het systeem of de partitie en kies Eigenschappen.
      4. Klik op het tabblad Referentiecode.
      5. Selecteer het item met de tijdsaanduiding die u wilt bekijken.
      6. Klik op Details.
      7. Bekijk de waarden die corresponderen met de woorden 2-9 en FRU-callout. Deze nummers komen overeen met functies 12-19 op het bedieningspaneel.
      8. Zodra u klaar bent, klikt u tweemaal op OK.
20 Om het computertype en -model en de featurecode van de processor op de HMC af te beelden, doet u het volgende:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Servicetoepassingen.
  2. Klik op Service Focal Point.
  3. In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
  4. In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
  5. Klik op Geselecteerd > Servicefuncties bedieningspaneel.
  6. Kies een van de volgende opties:
    • U bekijkt als volgt functie 20 voor het geselecteerde systeem: Klik op Systeemfunctie > System Type, Model, en Featurecode (20).
    • U bekijkt als volgt functie 20 voor een logische partitie: Selecteer de logische partitie in de lijst en selecteer System Function > Systeemtype, model, en featurecode (20).
21 De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Servicetoepassingen.
  2. Klik op Service Focal Point.
  3. In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
  4. In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
  5. Klik op Geselecteerd > Servicefuncties bedieningspaneel.
  6. Selecteer de logische partitie en kies vervolgens Partitiefuncties.
  7. Klik op DST.
22

Maak een dump van de logische partitie. Ga als volgt te werk als u een dump wilt maken van een partitie:

  1. In het navigatiegebied opent u de map Server en partitie.
  2. Klik op Serverbeheer.
  3. In het gegevensgebied opent u de server waarop de logische partitie zich bevindt.
  4. Open Partities.
  5. Klik met de rechtermuisknop op het profiel van de logische partitie en klik op Partitie opnieuw starten.
  6. Klik in het venster Partitie opnieuw starten op de optie Dump maken.
23-24 Gereserveerd.
25-26

Niet meer nodig om functies te openen die vergelijkbaar zijn met 50-70.

27-32 Gereserveerd.
33 Deze functie is niet meer vereist.
34

Opnieuw proberen een partitiedump te maken. U kunt als volgt een partitiedump opnieuw maken:

  1. In het navigatiegebied opent u de map Server en partitie.
  2. Klik op Serverbeheer.
  3. In het gegevensgebied opent u de server waarop de logische partitie zich bevindt.
  4. Open Partities.
  5. Klik met de rechtermuisknop op het profiel van de logische partitie en klik op Partitie opnieuw starten.
  6. Klik in het venster Partitie opnieuw starten op de optie Dump herhalen.
35-41 Gereserveerd.
42-43

Deze functies worden uitgevoerd op het fysieke bedieningspaneel op het beheerde systeem. Gebruik de onderstaande procedure om met dumpgegevens te werken.

De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken:

  1. In het navigatiegebied opent u de map Servicetoepassingen.
  2. Klik op Service Focal Point.
  3. In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
  4. In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
  5. Klik op Geselecteerd > Dumps beheren.... Het venster Servicefuncties - Dumps beheren wordt geopend.
  6. Gebruik de opties Geselecteerd en Menu om uw taak uit te voeren.
44-49 Gereserveerd.
50 Wordt niet meer gebruikt.
51 Wordt niet meer gebruikt.
52 Wordt niet meer gebruikt.
53 Open de Advanced System Management-interface (ASMI). Als u de ASMI wilt openen, gaat u als volgt te werk:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Servicetoepassingen.
  2. Klik op Service Focal Point.
  3. In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
  4. In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
  5. Kies ASM-menu starten uit het menu Geselecteerd. De ASMI-interface wordt geopend.
Raadpleeg voor meer informatie over het ongedaan maken van een configuratie van een processor met behulp van de ASMI-interface Processorconfiguratie wijzigen.
54 Gereserveerd.
55 De ASMI-interface (Advanced System Management Interface) gebruiken om een platformdump te starten. Als u de ASMI-interface wilt openen, gaat u als volgt te werk:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Servicetoepassingen.
  2. Klik op Service Focal Point.
  3. In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
  4. In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
  5. Kies ASM-menu starten uit het menu Geselecteerd. De ASMI-interface wordt geopend.
Raadpleeg voor meer informatie over het starten van een platformdump met behulp van ASMI Een platformdump starten.
56-62 Gereserveerd.
63 De eigenschappen van het beheerde systeem of de eigenschappen van de logische partitie bekijken.

Als u de eigenschappen van het beheerde systeem wilt bekijken, raadpleegt u Informatie over een beheerd systeem bekijken. Klik op het beheerde systeem in het venster Eigenschappen op het tabblad Referentiecode en klik vervolgens op Details.

Als u de eigenschappen van logische partities wilt bekijken, gaat u als volgt te werk:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Server en partitie.
  2. Klik op Serverbeheer.
  3. In het gegevensgebied opent u de server waarop de logische partitie zich bevindt.
  4. Open Partities.
  5. Klik met de rechtermuisknop op de logische partitie en klik opEigenschappen.
64 Open de Advanced System Management-interface (ASMI). Als u de ASMI wilt openen, gaat u als volgt te werk:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Servicetoepassingen.
  2. Klik op Service Focal Point.
  3. In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
  4. In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
  5. Kies ASM-menu starten uit het menu Geselecteerd. De ASMI-interface wordt geopend.
65 De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Servicetoepassingen.
  2. Klik op Service Focal Point.
  3. In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
  4. In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
  5. Klik op Geselecteerd > Servicefuncties bedieningspaneel.
  6. Selecteer de logische partitie en kies vervolgens Partitiefuncties.
  7. Kies de bijbehorende functie van het bedieningspaneel.
66 De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Servicetoepassingen.
  2. Klik op Service Focal Point.
  3. In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
  4. In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
  5. Klik op Geselecteerd > Servicefuncties bedieningspaneel.
  6. Selecteer de logische partitie en kies vervolgens Partitiefuncties.
  7. Kies de bijbehorende functie van het bedieningspaneel.
67 De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Servicetoepassingen.
  2. Klik op Service Focal Point.
  3. In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
  4. In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
  5. Klik op Geselecteerd > Servicefuncties bedieningspaneel.
  6. Selecteer de logische partitie en klik vervolgens op Partitiefuncties.
  7. Kies de bijbehorende functie van het bedieningspaneel.
68 De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Servicetoepassingen.
  2. Klik op Service Focal Point.
  3. In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
  4. In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
  5. Klik op Geselecteerd > Servicefuncties bedieningspaneel.
  6. Selecteer de logische partitie en klik vervolgens op Partitiefuncties.
  7. Kies de bijbehorende functie van het bedieningspaneel.
69 De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Servicetoepassingen.
  2. Klik op Service Focal Point.
  3. In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
  4. In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
  5. Klik op Geselecteerd > Servicefuncties bedieningspaneel.
  6. Selecteer de logische partitie en klik vervolgens op Partitiefuncties.
  7. Kies de bijbehorende functie van het bedieningspaneel.
70 De servicefuncties van Service Focal Point gebruiken. Ga als volgt te werk als u de servicefuncties wilt gebruiken:
  1. In het navigatiegebied opent u de map Servicetoepassingen.
  2. Klik op Service Focal Point.
  3. In het gegevensgebied klikt u op Servicefuncties.
  4. In het venster Servicefuncties selecteert u het systeem.
  5. Klik op Geselecteerd > Servicefuncties bedieningspaneel.
  6. Selecteer de logische partitie en klik vervolgens op Partitiefuncties.
  7. Kies de bijbehorende functie van het bedieningspaneel.

Feedback verzenden|Deze pagina beoordelen