De Hardware Management Console gebruiken om de server voor het scenario in te stellen en te configureren.

Gebruik deze sectie van het scenario om uw server te configureren met behulp van de Hardware Management Console (HMC).

  1. Zorg dat de HMC is aangesloten op het 710-model. Zodra de HMC voor het 710-model volledig is geconfigureerd en opnieuw is opgestart, sluit u het 710-model aan op een voedingsbron.
    1. Voortgangsindicatoren, ook wel checkpoints genoemd, worden weergegeven op het venster van het bedieningspaneel terwijl het systeem start. Het venster kan tijdens deze procedure enige momenten blanco blijven.
    2. Zodra de serviceprocessor klaar is met de opstartreeks, gaat het groene aan/uit-lampje langzaam knipperen en is in het venster van het bedieningspaneel informatie te zien zoals bijvoorbeeld: 01 N V=F T. Nadat de serviceprocessor is ingeschakeld, gaat u verder met de volgende stap.
    Opmerking: Dit proces kan 3-5 tot 5 minuten duren.
  2. Klik op Server en Partities > Serverbeheer om de status te bekijken van uw OpenPower-server. Het kan enige minuten duren voor de status wordt weergegeven. Als de status aangeeft dat de Verificatie in behandeling is, gaat u verder met stap. Als het bericht Verificatie mislukt verschijnt of als u geen bericht ontvangt, raadpleegt u Problemen met het instellen van de HMC oplossen.
  3. Er moet aan u worden gevraagd of u de systeemwachtwoorden wilt bijwerken. Als dit niet het geval is, kunt u de volgende stappen uitvoeren:
    1. Klik met de rechtermuisknop op de server die u wilt configureren. Kies Wachtwoord beheerd systeem wijzigen.
    2. Als het dialoogvenster Wachtwoord wijzigen - Verificatie in behandeling wordt geopend, moet u het wachtwoord invoeren.
    3. Klik op het tabblad Algemeen ASM-wachtwoord en voer uw wachtwoord in. Kies OK.
  4. Zet de model 710-server aan.
    1. In het navigatiegebied van de HMC opent u de map Server en Partitie.
    2. Klik op het pictogram Serverbeheer.
    3. In het inhoudsgedeelte, selecteert u de OpenPower-server.
    4. Klik in het menu op Geselecteerd>Inschakelen.
    5. Selecteer de gewenste inschakelingswerkstand en klik op OK.
  5. Klik met de rechtermuisknop op de server die u wilt configureren. Selecteer Eigenschappen. Op het tabblad Algemeen typt u in het veld Naam: IBMOP_SERVER. In de sectie Beleid, schakelt u het selectievakje Systeem uitschakelen nadat alle logische partities zijn uitgeschakeld uit.
  6. Stel vast of IBMOP_SERVER al over een bestaande logische partitie beschikt. Als dit het geval is, moet u die partitie verwijderen.
    1. Klik in het gegevensgebied van de HMC op IBMOP_SERVER.
    2. Klik op Partities. Als de logische partitie bestaat, wordt deze weergegeven als een object onder Partities.
      Opmerking: De naam van de logische partitie is het serienummer van de OpenPower-server en de partitie heeft één partitieprofiel genaamd standaard.
    3. Als een logische partitie bestaat, moet u controleren of de partitie de status Niet geactiveerd (uitgeschakeld) heeft. U kunt de partitie uitschakelen door recht te klikken op de logische partitie en Partitie afsluiten te selecteren. In het vak Opties voor afsluiten selecteert u Vertraagd (dit is de standaardwaarde) en selecteer OK. Wacht totdat de status van de logische partitie is gewijzigd in Niet geactiveerd.
    4. Klik met de rechtermuisknop op de logische partitie en kies Wissen en klik vervolgens op OK om het wissen te bevestigen.
    5. Ga pas verder als de gewiste partitie niet meer wordt weergegeven.
  7. Klik met de rechtermuisknop op de server die u configureert en selecteer Eigenschappen. Zorg ervoor dat op het tabblad Algemeen in de sectie Mogelijkheden voor de waarden Geschikt voor micro-partitionering en Geschikt voor virtuele I/O-server allebei Waar wordt weergegeven in de kolom Waarde. Als Waar wordt afgebeeld, gaat u verder met stap 8. Als Onwaar wordt afgebeeld, geeft dat aan dat de POWER hypervisor niet is geactiveerd en dat u de volgende stappen dient uit te voeren:
    1. Om uw activeringscode te verkrijgen, volgt u de aanwijzingen in de POWER Hypervisor Activation Code Entitlement Letter die u bij uw systeem hebt ontvangen.
    2. U selecteert de server IBMOP_SERVER en in het menuGeselecteerd kiest u On Demand-activeringen beheren > Virtualization Engine-technologieën > Activeringscode opgeven.
    3. Geef uw activeringscode op in het dialoogvenster.
  8. Stel de virtuele I/O-serverpartitie in.
    1. Klik met de rechtermuisknop op de server IBMOP_SERVER, kies Maken en kies vervolgens Logische partitie.
    2. Het venster Wizard Logische partitie maken wordt geopend. Geef 1 op bij Partitie-ID en IBMOP_VIO bij Partitienaam. Zorg ervoor dat de optie Virtuele I/O-server is geselecteerd en kies Volgende.
    3. In het venster Logische partitie maken – Workload Management-groepen slaat u de definitie van de Workload Management-groep over door het vakje Nee te selecteren. Kies Volgende.
    4. In het venster Profiel voor logische partitie maken geeft u IBMOP_VIO_default op als de Profielnaam.

      Maak de selectie van Alle resources in het systeem gebruiken ongedaan. Kies Volgende.

    5. In het venster Profiel voor logische partitie maken – Geheugen, geeft u de volgende vereiste waarden voor het geheugen op:
      • Minimum is 0 GB en 512 MB
      • Gewenst is 0 GB en 512 MB
      • Maximum is 0 GB en 512 MB
      Kies Volgende.
    6. In het venster Profiel voor logische partitie maken selecteert u Gemeenschappelijk voor de toewijzing van processors. Kies Volgende.
    7. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Verwerkingsinstellingen wijst u de volgende processorwaarden toe:
      • Gewenst is 0,1
      • Minimum is 0,1
      • Maximum is 2,0
      Selecteer (Uitgebreid). Selecteer Gemeenschappelijke werkstanden en controleer of Zonder bovengrens is geselecteerd en wijzig Gewicht in 160.
    8. Stel onder Virtuele processors het Maximumaantal virtuele processors in op 2. Kies OK. Kies Volgende.
    9. In het venster Profiel voor logische partitie maken – I/O, dubbelklikt u op de eenheid om de bussen uit te vouwen. Breid Bus 2 uit voor de volgende selecties:
      1. Selecteer PCI 10/100/1000Mbps Ethernet UTP 2-port (dit is een netwerkadapter met 2 poorten). Vervolgens selecteert u Toevoegen als vereist.
      2. Selecteer Storage-controller (dit is een SCSI-adapter). Vervolgens selecteert u Toevoegen als vereist.
      3. Selecteer Andere controller voor massaopslag (dit is de CD-ROM). Vervolgens selecteert u Toevoegen als gewenst.

      Klik op Bus 3 en kies het volgende: selecteer Ethernet-controller (dit is een andere netwerkadapter). Vervolgens selecteert u Toevoegen als vereist.

      Kies Volgende.

    10. In het venster Profiel voor logische partitie maken - I/O-pools kiest u Volgende.
    11. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Virtuele I/O-adapters selecteert u Ja, ik wil virtuele I/O-adapters opgeven. Kies Volgende.
    12. Het venster Profiel voor logische partitie maken - Virtuele I/O-adapters maken wordt geopend. Stel onder Virtuele adapters het Aantal sleuven voor virtuele adapters in op 64. Als u twee virtuele Ethernet-adapters voor de virtuele I/O-server wilt maken, moet u de volgende stappen twee keer uitvoeren:
      1. Voeg een virtuele Ethernet-adapter toe door Ethernet te kiezen in het vak Adapters maken. Selecteer (Maken).
      2. In het venster Eigenschappen virtuele Ethernet-adapter stelt u de eerste keer dat u deze stappen uitvoert het Sleufnummer in op 2 en de tweede keer op 3.
      3. Stel Virtuele LAN-poort de eerste keer dat u deze stappen uitvoert in op 1 en de tweede keer op 2.
      4. Selecteer Extern netwerk openen en stel de prioriteit in op Trunk om deze adapter te gebruiken als een gateway tussen VLAN's en een extern netwerk. Deze Ethernet-adapter wordt geconfigureerd als een gemeenschappelijke Ethernet-adapter.
      5. Selecteer het vakje IEEE 802.1Q-compatibele adapter.
      6. Kies OK. U gaat terug naar het venster Profiel voor logische partitie maken - Virtuele I/O-adapters maken.Onder Virtuele adapters selecteert u Vereist voor de adapter die u zojuist hebt gemaakt.
    13. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Virtuele I/O-adapters maken, maakt u de virtuele SCSI-serveradapters. U gaat in totaal vijf virtuele SCSI-serveradapters voor deze partitie maken. U voert deze stappen uit voor elke adapter die u maakt. De sleufnummers moeten worden toegewezen in de aangegeven volgorde.
        1. Voeg een virtuele SCSI-adapter toe door SCSI te selecteren in het vak Adapters maken. Selecteer Serveradapter maken.
        2. In het venster Eigenschappen virtuele SCSI-adapter stelt u het sleufnummer voor de adapters als volgt in:
            Eerste Tweede Derde Vierde Vijfde
          Sleufnummer 21 22 31 32 33
        3. Selecteer onder Verbindingsgegevens de optie Verbinding mogelijk met elke niet-lokale partitie en sleuf.
        4. Kies OK. U gaat terug naar het venster Profiel voor logische partitie maken - Virtuele I/O-adapters maken.
      1. Selecteer onder Virtuele adapters het vakje Vereist voor de vijf virtuele SCSI-adapters die u zojuist hebt gemaakt.
      2. Kies Volgende.
    14. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Partities voor in-/uitschakelen, accepteert u de standaardwaarden voor partities voor in-/uitschakelen. Kies Volgende.
    15. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Optionele instellingen selecteert u Normaal (dit is de standaardwaarde) voor de instelling Opstartwerkstanden. Kies Volgende.
    16. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Profieloverzicht ziet u een samenvatting van de selecties die u hebt gemaakt. Kies Voltooien. Wacht totdat de partitie IBMOP_VIO wordt weergegeven onder IBMOP_SERVER in de HMC-console.
      Opmerking: Als u de partities wilt bekijken die u aan het maken bent, klikt u op de weergavePartities onder IBMOP_SERVER.
  9. Maak twee logische partities die gebruikmaken van virtuele I/O voor deLinux-installaties.
    1. Maak de logische partitie voor de eerste Linux-installatie.
      1. Klik met de rechtermuisknop op de server IBMOP_SERVER, kies Maken en kies vervolgens Logische partitie.
      2. Het venster Wizard Logische partitie maken wordt geopend. Geef 2 op bij Partitie-ID en IBMOP_LINUX1 bij Partitienaam. Zorg ervoor dat AIX of Linux is geselecteerd en selecteer Volgende.
      3. In het venster Logische partitie maken – Workload Management-groepen slaat u de definitie van de Workload Management-groep over door het vakje Nee te selecteren. Kies Volgende.
      4. In het venster Profiel voor logische partitie maken geeft uIBMOP_LINUX1_default op als de Profielnaam.

        Maak de selectie van Alle resources in het systeem gebruiken ongedaan. Kies Volgende.

      5. In het venster Profiel voor logische partitie maken – Geheugen, geeft u de volgende vereiste waarden voor het geheugen op:
        • Minimum is 2 GB en 0 MB
        • Gewenst is 2 GB en 0 MB
        • Maximum is 2 GB en 0 MB
        Kies Volgende.
      6. In het venster Profiel voor logische partitie maken selecteert u Gemeenschappelijk voor de toewijzing van processors.Kies Volgende.
      7. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Verwerkingsinstellingen wijst u de volgende processorwaarden toe:
        • Gewenst is 0,1
        • Minimum is 0,1
        • Maximum is 2,0
        Selecteer (Uitgebreid). Selecteer Gemeenschappelijke werkstanden en controleer of Zonder bovengrens is geselecteerd en wijzig Gewicht in 140.
      8. Stel onder Virtuele processors het Maximumaantal virtuele processors in op 2. Kies OK. Kies Volgende.
      9. In het venster Profiel voor logische partitie maken – I/O, dubbelklikt u op de eenheid om de bussen uit te vouwen. Klik op Bus 2 en selecteer Andere controller voor massaopslag (dit is de CD-ROM). Vervolgens selecteert u Toevoegen als gewenst. Kies Volgende.
      10. In het venster Profiel voor logische partitie maken - I/O-pools kiest u Volgende.
      11. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Virtuele I/O-adapters selecteert u Ja, ik wil virtuele I/O-adapters opgeven. Kies Volgende.
      12. Maak een virtuele Ethernet-adapter.
        1. Voeg een virtuele Ethernet-adapter toe door Ethernet te kiezen in het vak Adapters maken. Selecteer (Maken).
        2. In het venster Eigenschappen virtuele Ethernet-adapter accepteert u de standaardwaarde voor Sleufnummer.
        3. Stel Virtuele LAN-poort in op 1.
        4. Selecteer het vakje IEEE 802.1Q-compatibele adapter.
        5. Kies OK. U gaat terug naar het venster Profiel voor logische partitie maken - Virtuele I/O-adapters maken.Onder Virtuele adapters selecteert u Vereist voor de adapter die u zojuist hebt gemaakt.
      13. U gaat in totaal twee virtuele SCSI-clientadapters voor deze partitie maken. U voert deze stappen uit voor elke adapter die u maakt.
        Opmerking: De virtuele sleufnummers van de partitie op afstand moeten worden toegewezen in de aangegeven volgorde.
        1. Voeg een virtuele SCSI-adapter toe door SCSI te selecteren in het vak Adapters maken. Selecteer Clientadapter maken.
        2. In het venster Eigenschappen virtuele SCSI-adapter accepteert u de standaardwaarde voor Sleufnummer.
        3. Onder Verbindingsgegevens selecteert u IBMOP_VIO (1) voor de Partitie op afstand en stelt u het virtuele sleufnummer van de partitie op afstand voor de adapters als volgt in:
            Eerste Tweede
          Virtueel sleufnummer van partitie op afstand 21 22
        4. Kies OK. U gaat terug naar het venster Profiel voor logische partitie maken - Virtuele I/O-adapters maken.Onder Virtuele adapters selecteert u Vereist voor de adapter die u zojuist hebt gemaakt.
      14. Kies Volgende.
      15. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Partities voor in-/uitschakelen, accepteert u de standaardwaarden voor partities voor in-/uitschakelen. Kies Volgende.
      16. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Optionele instellingen selecteert u Normaal (dit is de standaardwaarde) voor de instelling Opstartwerkstanden.Kies Volgende.
      17. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Profieloverzicht ziet u een samenvatting van de selecties die u hebt gemaakt.Kies Voltooien. Wacht totdat de partitie IBMOP_LINUX1 wordt weergegeven onder IBMOP_SERVER in de HMC-console.
    2. Maak de logische partitie voor de tweede Linux-installatie.
      1. Klik met de rechtermuisknop op de server IBMOP_SERVER, kies Maken en kies vervolgens Logische partitie.
      2. Het venster Wizard Logische partitie maken wordt geopend. Geef 3 op bij Partitie-ID en IBMOP_LINUX2 bij Partitienaam. Zorg ervoor dat AIX of Linux is geselecteerd en selecteer Volgende.
      3. In het venster Logische partitie maken – Workload Management-groepen, selecteert u het selectievakje Nee. Kies Volgende.
      4. In het venster Profiel voor logische partitie maken geeft uIBMOP_LINUX2_default op als de Profielnaam.

        Maak de selectie van Alle resources in het systeem gebruiken ongedaan. Kies Volgende.

      5. In het venster Profiel voor logische partitie maken – Geheugen, geeft u de volgende vereiste waarden voor het geheugen op:
        • Minimum is 2 GB en 0 MB
        • Gewenst is 2 GB en 0 MB
        • Maximum is 2 GB en 0 MB
        Kies Volgende.
      6. In het venster Profiel voor logische partitie maken selecteert u Gemeenschappelijk voor de toewijzing van processors.Kies Volgende.
      7. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Verwerkingsinstellingen wijst u de volgende processorwaarden toe:
        • Gewenst is 0,1
        • Minimum is 0,1
        • Maximum is 2,0
        Selecteer (Uitgebreid). Selecteer Gemeenschappelijke werkstanden en controleer of Zonder bovengrens is geselecteerd en wijzig Gewicht in 140.
      8. Stel onder Virtuele processors het Maximumaantal virtuele processors in op 2. Kies OK. Kies Volgende.
      9. In het venster Profiel voor logische partitie maken – I/O, dubbelklikt u op de eenheid om de bussen uit te vouwen. Klik op Bus 2 en selecteer Andere controller voor massaopslag (dit is de CD-ROM). Vervolgens selecteert u Toevoegen als gewenst.

        Kies Volgende.

      10. In het venster Profiel voor logische partitie maken - I/O-pools kiest u Volgende.
      11. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Virtuele I/O-adapters selecteert u Ja, ik wil virtuele I/O-adapters opgeven. Kies Volgende.
      12. Maak een virtuele Ethernet-adapter.
        1. Voeg een virtuele Ethernet-adapter toe door Ethernet te kiezen in het vak Adapters maken. Selecteer (Maken).
        2. In het venster Eigenschappen virtuele Ethernet-adapter accepteert u de standaardwaarde voor Sleufnummer.
        3. Stel Virtuele LAN-poort in op 2.
        4. Selecteer het vakje IEEE 802.1Q-compatibele adapter.
        5. Kies OK. Ga terug naar het venster Profiel voor logische partitie maken - Virtuele I/O-adapters maken. Onder Virtuele adapters selecteert u Vereist voor de adapter die u zojuist hebt gemaakt.
      13. Maak in totaal drie virtuele SCSI-clientadapters voor deze partitie. Voer deze stappen uit voor elke adapter die u maakt.
        Opmerking: De virtuele sleufnummers van de partitie op afstand moeten worden toegewezen in de aangegeven volgorde.
        1. Voeg een virtuele SCSI-adapter toe door SCSI te selecteren in het vak Adapters maken. Selecteer Clientadapter maken.
        2. In het venster Eigenschappen virtuele SCSI-adapter accepteert u de standaardwaarde voor Sleufnummer.
        3. Onder Verbindingsgegevens selecteert u IBMOP_VIO (1) voor de Partitie op afstand en stelt u het virtuele sleufnummer van de partitie op afstand voor de adapters als volgt in:
            Eerste Tweede Derde
          Virtueel sleufnummer van partitie op afstand 31 32 33
        4. Kies OK. U gaat terug naar het venster Profiel voor logische partitie maken - Virtuele I/O-adapters maken.Onder Virtuele adapters selecteert u Vereist voor de adapter die u zojuist hebt gemaakt.
      14. Kies Volgende.
      15. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Partities voor in-/uitschakelen, accepteert u de standaardwaarden voor partities voor in-/uitschakelen. Kies Volgende.
      16. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Optionele instellingen selecteert u Normaal (dit is de standaardwaarde) voor de instelling Opstartwerkstanden.Kies Volgende.
      17. In het venster Profiel voor logische partitie maken - Profieloverzicht ziet u een samenvatting van de selecties die u hebt gemaakt.Kies Voltooien. Wacht totdat de partitie IBMOP_LINUX2 wordt weergegeven onder IBMOP_SERVER in de HMC-console.
  10. Klik met de rechtermuisknop op de server IBMOP_SERVER en kies Eigenschappen.
  11. In het eigenschappenvenster maakt u in het tabblad Algemeen in het vak Beleid de selectie van Systeem uitschakelen nadat alle logische partities zijn uitgeschakeld ongedaan. Kies OK.
  12. Zorg ervoor dat alle partities onder Status worden weergegeven als Niet geactiveerd; als dit niet het geval is, klikt u op het pictogram voor opnieuw laden onder de menubalk.
  13. U kunt de virtuele I/O-serversoftware als volgt installeren en configureren:
    1. Plaats de virtuele I/O-server-CD in het CD-ROM-station van deOpenPower-server.
    2. Activeer de virtuele I/O-serverpartitie. Klik met de rechtermuisknop op de partitienaam IBMOP_VIO. Klik op Activeren.
    3. Selecteer het profiel IBMOP_VIO_default. Selecteer het vakje Terminalvenster of consolesessie openen. Selecteer (Uitgebreid).
    4. Selecteer SMS onder Opstartwerkstand. Kies OK om terug te gaan naar het vorige venster.
    5. Kies OK om de partitie te activeren en een terminalvenster te openen.
    6. Er wordt een VTERM-venster geopend. Als u daarom wordt gevraagd, klikt u op 0 om deze console te selecteren als de actieve console.
    7. In het SMS-hoofdmenu, selecteert u Opstartopties selecteren. Druk op Enter.
    8. Selecteer Installatie-/opstartapparaat kiezen. Druk op Enter.
    9. In het menu Apparatuurtype kiezen selecteert u CD/DVD. Druk op Enter.
    10. Kies IDE uit het menu Mediatype kiezen. Druk op Enter.
    11. Druk op x om System Management Services af te sluiten. Kies Ja als dit wordt gevraagd. Druk op Enter en het venster STARTING SOFTWARE wordt geopend.
    12. Kies 1 (de 1 wordt niet in uw venster weergegeven) en druk op Enter om deze terminal te selecteren als de systeemconsole.
    13. Selecteer de gewenste taal en druk op Enter.
    14. Selecteer Change/Show Installation Settings and Install, zodat u de installatielocatie voor de virtuele I/O-server kunt controleren. Druk op Enter.
      1. Als de optie Disk(s) where you want to install is ingesteld ophdisk0, gaat u verder met stap 13.o. Als deze optie echter is ingesteld op hdisk0... (hdisk0 gevolgd door "...") in plaats van hdisk0 zal de installatie meer schijfstations gebruiken dan gewenst en moet u de volgende stappen uitvoeren.
      2. Selecteer Disk(s) where you want to install. Druk op Enter.
      3. De huidige keuze wordt aangegeven met >>>. Als hdisk0 niet de huidige keuze is, selecteert u het nummer voor hdisk0 en drukt u op Enter.
      4. Als er andere schijven dan hdisk0 als huidige keuze worden aangegeven door >>>, annuleert u deze keuzen door het getal naast elke schijf te selecteren en op Enter te drukken, totdat hdisk0 de enige aangegeven keuze is.
      5. Selecteer Continue with choices indicated above. Druk op Enter.
    15. Selecteer Install with the settings listed above en druk op Enter.
    16. Wanneer de installatie is voltooid, geeft u padmin op als gebruikersnaam bij de aanmeldingsprompt. Stel een nieuw wachtwoord in.
    17. Nadat u zich hebt aangemeld als padmin, kunt u de licentie bekijken door de opdracht license als volgt op te geven op de opdrachtregel:
      license -view
      U kunt met behulp van de spatietoets door de licentieovereenkomst bladeren.
    18. Accepteer de licentie door de volgende opdracht op te geven:
      license -accept
    19. Configureer de gemeenschappelijke Ethernet-adapters.
      1. U configureert de eerste gemeenschappelijke Ethernet-adapter door de volgende opdracht op te geven:
        mkvdev -sea ent0 -vadapter ent3 -default ent3 -defaultid 1
      2. U configureert de tweede gemeenschappelijke Ethernet-adapter door de volgende opdracht op te geven:
        mkvdev -sea ent2 -vadapter ent4 -default ent4 -defaultid 2
    20. Geef de volgende opdrachten op om de logische volumes te maken:
      1. mklv -lv lv_linux1 rootvg 4G
      2. mklv -lv lv_linux2 rootvg 6G
      3. mklv -lv lv_linux2_data1 rootvg 8G
    21. Geef de volgende opdrachten op om de virtuele SCSI-adapters voor de Linux-partities te configureren:
      1. mkvdev -vdev lv_linux1 -vadapter vhost0 -dev dev_linux1
      2. mkvdev -vdev hdisk1 -vadapter vhost1 -dev dev_linux1_dat1
      3. mkvdev -vdev lv_linux2 -vadapter vhost2 -dev dev_linux2
      4. mkvdev -vdev lv_linux2_data1 -vadapter vhost3 -dev dev_linux2_dat1
      5. mkvdev -vdev hdisk2 -vadapter vhost4 -dev dev_linux2_dat2
      6. Optioneel: Als u een backup wilt maken van de besturingssystemen door een kopie van hdisk0 te maken op hdisk3, gaat u verder met de volgende stap. Anders kunt u hdisk3 toevoegen als een andere gegevensvoorziening door de volgende opdracht op te geven:
        mkvdev -vdev hdisk3 -vadapter vhost3 -dev dev_linux2_dat3
      Opmerking: De vhost-waarden in deze opdrachten komen overeen met de numerieke volgorde van de sleufnummers van de virtuele SCSI-adapter die is ingesteld toen de virtuele I/O-server voor het eerst werd geactiveerd. De virtuele SCSI-adapter die u hebt gemaakt in sleuf 21 komt overeen met vhost0. Omdat u een virtuele SCSI-clientadapter in sleuf 21 in de logische partitie IBMOP_FIREWALL1 hebt gemaakt, wordt het logische volume van 4 GB dat u zojuist hebt gemaakt met de mklv-opdracht lv_firewall1, gekoppeld aan de logische partitie IBMOP_FIREWALL1. De virtuele SCSI-adapter die u hebt gemaakt in sleuf 31 komt overeen met vhost1, enzovoort. De volgende tabel maakt duidelijk hoe de door u gemaakte SCSI-apparaten worden toegewezen:
      vhost Sleuf Logische partitie Apparatuur
      vhost0 21 IBMOP_LINUX1 lv_linux1
      vhost1 22 IBMOP_LINUX1 hdisk1
      vhost2 31 IBMOP_LINUX2 lv_linux2
      vhost3 32 IBMOP_LINUX2 lv_linux2_data1
      vhost4 33 IBMOP_LINUX2 hdisk2 en optioneel hdisk3
    22. Optioneel: Als u wel een backup wilt maken van uw besturingssystemen, is het raadzaam om een schaduwkopie van hdisk0 te maken op hdisk3. Als u een schaduwkopie van uw belangrijkste schijf wilt maken, voert u de onderstaande opdrachten uit. Als u geen backup wilt maken van uw besturingssystemen, kunt u verdergaan met stap 14.
      1. extendvg -f rootvg hdisk3
      2. mirrorios -f hdisk3
        Opmerking: Deze opdracht kan ongeveer 30 minuten in beslag nemen. De opdracht mirrorios genereert een foutbericht wanneer de opdracht is voltooid. Het maken van een schaduwkopie van de belangrijkste schijf is echter correct voltooid, zodat u zonder problemen verder kunt gaan.
  14. In het HMC-venster klikt u met de rechtermuisknop op IBMOP_VIO en kiest u Partitie afsluiten.
  15. In het vak Opties voor afsluiten selecteert u Vertraagd (dit is de standaardwaarde) en vervolgens kiest u OK.
  16. Wacht totdat de status van IBMOP_VIO is gewijzigd in Niet geactiveerd. Klik met de rechtermuisknop op IBMOP_VIO en kies Terminalverbinding sluiten. Kies Ja wanneer er een waarschuwing wordt weergegeven.
  17. Vouw de weergave van de partitie IBMOP_VIO uit. Klik met de rechtermuisknop op IBMOP_VIO_default en kies Eigenschappen.
  18. Kies het tabblad Fysieke I/O
  19. In het vak I/O-apparaten in profiel klikt u op de eenheid om de bussen af te beelden.
  20. Klik op Bus 2 en kies Andere controller voor massaopslag.
  21. Kies Verwijderen. Selecteer OK
  22. Klik met de rechtermuisknop op IBMOP_VIO en kies Activeren.
  23. In het venster Logische partitie activeren klikt u op OK.
  24. Wacht totdat de status van IBMOP_VIO is gewijzigd in Actief en er geen berichten meer worden afgebeeld in het bedieningspaneel voordat u verdergaat met het volgende gedeelte.

Feedback verzenden | Beoordeel deze pagina