Informatie over het dynamisch toevoegen aan, verwijderen uit en verplaatsen van fysieke I/O-apparaten en -sleuven van een actieve logische partitie naar een andere met behulp van de Hardware Management Console (HMC). Informatie over hoe u ervoor zorgt dat Linux de wijzigingen in de beschikbare resources herkent.
In dit onderwerp vindt u informatie over hoe fysieke I/O-apparatuur en -sleuven in Linux, worden beheerd, welke beperkingen hieraan verbonden zijn en hoe u deze beperkingen kunt omzeilen.
Linux-distributies van Red Hat Enterprise Linux versie 4 of SUSE Linux Enterprise Server 9 of recenter zijn nodig om dynamisch I/O-apparatuur en -sleuven te kunnen verplaatsen van of naar een logische Linux-partitie.
Als u sleuven met adapters toevoegt, wordt de apparatuur automatisch geconfigureerd door Linux-kernelmodules (rpaphp en PCI Hotplug Core). Nadat de apparaten zijn toegevoegd met de HMC, moet u zich als root aanmelden bij de actieve logische partitie met Linux zodat u deze toegevoegde apparatuur kunt instellen met behulp van de juiste gebruikersruimtetools, bijvoorbeeld met de opdracht Mount of Ifup.
Als u adapters voor opslagmedia verwijdert, moet u de bestandssystemen van deze apparaten ontkoppelen voordat u de sleuven en adapters verwijdert. Als u netwerkadapters verwijdert, moet u ook de netwerkinterfaces afsluiten voor deze apparatuur voordat u de sleuven en adapters verwijdert.
Voor logische partities kunnen gewenste en verplichte I/O-apparaten of -sleuven aanwezig zijn. Als u opgeeft dat een I/O-apparaat of -sleuf gewenst (of gedeeld) is, betekent dit dat het I/O-apparaat of -sleuf optioneel is. Als u opgeeft dat een I/O-apparaat of -sleuf vereist is (of vast toegewezen), kunt u de logische partitie niet activeren als het I/O-apparaat of de -sleuf niet beschikbaar is of in gebruik is door een andere logische partitie.
Voor het toevoegen van fysieke I/O-apparaten of -sleuven aan een actieve logische partitie volgt u de volgende stappen op de HMC: