Partitioneren van een nieuw of niet-gepartitioneerd beheerd systeem van IBM System p5, eServer p5 of IntelliStation POWER 285

Gebruik deze procedure voor het partitioneren van een nieuw of niet-gepartitioneerd beheerd systeem van IBM System p5, eServer p5 of IntelliStation POWER 285 met behulp van de Hardware Management Console (HMC). Tijdens deze procedure moet u de hardware op het beheerde systeem valideren en de logische partities op het beheerde systeem maken.

U gebruikt deze procedure in de volgende gevallen:

Als u een nieuwe logische partitie wilt maken op een beheerd systeem dat al is gepartitioneerd, hoeft u niet alle stappen in deze procedure uit te voeren. Voor meer informatie over het maken van een nieuwe logische partitie op een beheerd systeem dat al is gepartitioneerd, raadpleegt u Logische partities en partitieprofielen maken.

Voordat u begint, moeten de volgende gegevens bekend zijn:

Voor het partitioneren van een nieuw of niet gepartitioneerd beheerd systeem van IBM System p5, eServer p5 of IntelliStation POWER 285 met behulp van de HMC, moet u een superbeheerder zijn of een operator op de HMC. Raadpleeg voor meer informatie over gebruikersrollen het onderwerp Taken en rollen.

Voor het partitioneren van een nieuw of niet gepartitioneerd beheerd systeem van IBM System p5, eServer p5 of IntelliStation POWER 285 met behulp van de HMC, dient u de volgende stappen uit te voeren:

  1. Controleer of het beheerde systeem de status Standby of Actief heeft. Voer de volgende stappen uit:
    1. Open in het navigatiegebied van de HMC het object met dezelfde naam als de HMC, open Server en partitie en kies Serverbeheer.
    2. Bepaal de status van het beheerde systeem zoals afgebeeld in het gegevensgebied onder de kop Status.
    3. Als het beheerde systeem de status Uitgeschakeld heeft, klik dan met de rechtermuisknop op het beheerde systeem, kies Inschakelen, selecteer de modus Partitie standby, klik op OK en wacht tot in het gegevensgebied voor het beheerde systeem de status Standby wordt afgebeeld.
    Als het beheerde systeem niet wordt afgebeeld in het gegevensgebied, of als het beheerde systeem niet de status Standby of Actief heeft, moet u voor u verder gaat eerst het probleem verhelpen. Voor meer informatie over het wijzigen van de status van het beheerde systeem raadpleegt u Besturingsstatus van het beheerde systeem corrigeren.
  2. Controleer of er een enkele logische partitie op het beheerde systeem voorkomt. Als u een nieuw of niet gepartitioneerd beheerd systeem aansluit op een HMC, wordt er een enkele logische partitie afgebeeld in de HMC-gebruikersinterface. Alle systeemresources maken deel uit van deze logische partitie. Tijdens deze procedure moet u deze logische partitie gebruiken om de hardware op het beheerde systeem te valideren. Nadat u de hardware op het beheerde systeem hebt gevalideerd, moet u deze logische partitie wissen en de logische partities maken volgens uw logische partitieplan.
    1. Open het beheerde systeem in het gegevensgebied van de HMC.
    2. Open Partities. De logische partitie wordt weergegeven als een object onder Partities. De naam van de logische partitie is het serienummer van het beheerde systeem en de partitie heeft één partitieprofiel genaamd standaard.
    Als de logische partitie bestaat die in deze stap is beschreven, gaat u verder met stap 4. Als dit niet zo is, gaat u verder met stap 3 om het beheerde systeem opnieuw in te stellen.
  3. Breng het beheerde systeem terug in de situatie met slechts één logische partitie. Ga vanuit de HMC (zonder gebruik te maken van een niet-lokale client zoals een via internet toegankelijke System Manager) als volgt te werk om deze logische partitie op het beheerde systeem te maken:
    1. Controleer of de hardwareposities in het beheerde systeem zodanig zijn dat de standaard fabrieksconfiguratie kan worden gebruikt. Als de hardwareposities in het beheerde systeem zodanig zijn dat de standaard fabrieksconfiguratie niet kan worden gebruikt, moet u de hardwareposities aanpassen. Neem contact op met uw leverancier voor meer informatie over de plaatsing van de hardware in het beheerde systeem waarbij de standaard fabrieksconfiguratie kan worden gebruikt.
    2. Klik in het gegevensgebied met de rechtermuisknop op het beheerde systeem.
    3. Klik in het menu achtereenvolgens op Profielgegevens > Initialiseren en klik op Ja.
    4. Klik met de rechtermuisknop op het bureaublad van uw HMC (buiten de weergegeven vensters) en klik op Terminal > rshterm. De opdrachtregelinterface Beperkte werkomgeving wordt afgebeeld.
    5. Typ: lpcfgop -m naam_beheerd_systeem -o clear. naam_beheerd_systeem is de naam van het beheerde systeem zoals deze in het inhoudgebied wordt afgebeeld.
    6. Typ ter bevestiging een 1. Deze stap duurt enkele seconden.
  4. Controleer of in het gegevensgebied voor de logische partitie de status Niet geactiveerd wordt afgebeeld. Als de logische partitie de status Actief heeft, kunt u de logische partitie als volgt afsluiten:
    1. Klik met de rechtermuisknop op het beheerde systeem in het gegevensgebied.
    2. Klik op Eigenschappen.
    3. Zorg dat de optie Schakel het systeem uit nadat alle logische partities zijn uitgeschakeld is uitgeschakeld.
    4. Klik op OK.
    5. Sluit de logische partitie af met de procedures van het besturingssysteem. Raadpleeg de volgende onderwerpen voor meer informatie over het afsluiten van logische partities met behulp van de functies van uw besturingssysteem:
    Als de logische partitie de status Fout heeft, gaat u als volgt te werk:
    1. Klik met de rechtermuisknop op de logische partitie en kies Eigenschappen.
    2. Klik op de tab Verwijzingscode en gebruik de afgebeelde verwijzingscodes om het probleem te analyseren en op te lossen. Raadpleeg voor meer informatie over het gebruik van verwijzingscodes voor het opsporen en oplossen van problemen het onderwerp Lijst van verwijzingscodes voor gebruikers.
  5. Activeer de logische partitie en controleer of de fysieke adapters op het beheerde systeem zijn verbonden met, en rapporteren aan, het beheerde systeem met behulp van de configuratiemanager. Als AIX niet op uw beheerde systeem is geïnstalleerd, gaat u verder met stap 6. U kunt de configuratiemanager in AIX om alle beschikbare apparaten weer te geven. Als AIX aan het opstarten en de configuratiemanager wordt uitgevoerd, worden alle werkende adapters door de configuratiemenager afgebeeld. De herkende adapters krijgen de status Beschikbaar als ze correct zijn geconfigureerd.
    1. Klik in het gegevensgebied met de rechtermuisknop op de partitie en klik vervolgens op Activeren.
    2. Klik op Geavanceerd.
    3. Selecteer in het veld Opstartmodus de optie Normaal en klik op OK.
    4. Selecteer Terminalvenster of consolesessie openen en klik op OK. Er wordt een vterm-venster (virtuele terminal) voor de logische partitie geopend.
    5. Zorg dat alle resources verbonden en ingeschakeld zijn.
    6. Meld u aan bij AIX met een geldige gebruikersnaam en het bijbehorende wachtwoord.
    7. Voer op de opdrachtaanwijzing de volgende opdracht in om alle adapters op AIX weer te geven: # lsdev -Cc adapter. Als er adapters zijn die niet als Beschikbaar worden weergegeven, neem dan voor technische ondersteuning contact op met de serviceafdeling.
      Opmerking: U kunt alleen de adapters gebruiken die door AIX worden herkend. Adapters die niet door AIX worden herkend, genereren mogelijk een foutmelding dat de adapter onbekend is of dat de hardware niet functioneert.
    8. Vervolgens kunt u de logische partitie afsluiten met behulp van de functies van uw besturingssysteem en sluit u het werkstationvenster. Voor informatie over het afsluiten van AIX, raadpleegt u Opnieuw starten en afsluiten van AIX in en logische partitie.
  6. Activeer de logische partitie en controleer of de fysieke adapters op het beheerde systeem zijn verbonden met, en rapporteren aan, het beheerde systeem met behulp van de SMS-interface (System Management Services). Als Linux op het beheerde systeem is geïnstalleerd, of als er geen besturingssysteem op het beheerde systeem aanwezig is, kunt u de SMS-interface (System Management Services) gebruiken om alle beschikbare apparaten weer te geven. Als de logische partitie is geactiveerd, wordt de bus gecontroleerd op aangesloten apparaatadapters. De herkende adapter worden in een lijst weergegeven.
    1. Klik in het gegevensgebied met de rechtermuisknop op de partitie en klik vervolgens op Activeren.
    2. Klik op Geavanceerd.
    3. Selecteer in het veld Opstartmodus de optie SMS en klik op OK.
    4. Selecteer Terminalvenster of consolesessie openen en klik op OK. Er wordt een vterm-venster (virtuele terminal) voor de logische partitie geopend.
    5. Als de SMS-interface wordt weergegeven, typt u 5 en drukt u op Enter om optie 5 te selecteren [Opstartopties selecteren].
    6. Typ 1 en druk op Enter om optie 1 te selecteren[Een apparaat installeren of opstarten kiezen]
    7. Typ 7 en druk op Enter om optie 7 te selecteren [Alle apparatuur laten ziens]. Alle herkende apparaten in de partitie worden weergegeven. Als er apparaten zijn die niet worden weergegeven, neem dan contact op met de serviceafdeling voor technische ondersteuning.
      Opmerking: U kunt alleen de adapters gebruiken die door SMS worden herkend. Adapters die niet door SMS worden ondersteund, genereren mogelijk een foutmelding dat de adapter onbekend is of dat de hardware niet functioneert.
    8. Als u klaar bent, sluit u het venster van de werkstationsessie en klikt u met de rechtermuisknop op de partitie in het gegevensgebied, klikt u op Partitie afsluiten en klikt u op OK.
  7. Als de hardware in het beheerde systeem al is opgenomen in de configuratie die is opgegeven in uw LVT-configuratieplan, gaat u verder met stap 13.
  8. Schakel het beheerde systeem uit met behulp van de HMC.
    1. Open in het navigatiegebied van de HMC de optie Server en partitie.
    2. Selecteer Serverbeheer.
    3. Klik in het gegevensgebied met de rechtermuisknop op het beheerde systeem dat u in partities indeelt en kies Uitschakelen.
    4. Selecteer de optie Normaal uitschakelen en klik op OK.
  9. Verplaats de hardware van het beheerde systeem volgens het gecontroleerde plan voor de configuratie van logische partities (met de LVT).
  10. Zet het beheerde systeem in de Standby-stand met behulp van de HMC.
    1. Open in het navigatiegebied van de HMC de optie Server en partitie.
    2. Selecteer Serverbeheer.
    3. Klik in het gegevensgebied met de rechtermuisknop op het beheerde systeem dat u in partities indeelt en kies Inschakelen.
    4. Selecteer Partitie standby als de inschakelingswerkstand en klik opOK.
  11. Activeer de logische partitie en controleer of de fysieke adapters op het beheerde systeem zijn verbonden met, en rapporteren aan, het beheerde systeem met behulp van de configuratiemanager. Als AIX niet op het beheerde systeem is geïnstalleerd, gaat u verder met stap 12. U kunt de configuratiemanager in AIX om alle beschikbare apparaten weer te geven. Als AIX aan het opstarten en de configuratiemanager wordt uitgevoerd, worden alle werkende adapters door de configuratiemenager afgebeeld. De herkende adapters krijgen de status Beschikbaar als ze correct zijn geconfigureerd.
    1. Klik in het gegevensgebied met de rechtermuisknop op de partitie en klik vervolgens op Activeren.
    2. Klik op Geavanceerd.
    3. Selecteer in het veld Opstartmodus de optie Normaal en klik op OK.
    4. Selecteer Terminalvenster of consolesessie openen en klik op OK. Er wordt een vterm-venster (virtuele terminal) voor de logische partitie geopend.
    5. Zorg dat alle resources verbonden en ingeschakeld zijn.
    6. Meld u aan bij AIX met een geldige gebruikersnaam en het bijbehorende wachtwoord.
    7. Voer op de opdrachtaanwijzing de volgende opdracht in om alle adapters op AIX weer te geven: # lsdev -Cc adapter. Als er adapters zijn die niet als Beschikbaar worden weergegeven, neem dan voor technische ondersteuning contact op met de serviceafdeling.
      Opmerking: U kunt alleen de adapters ondersteunen die door AIX worden herkend. Adapters die niet door AIX worden ondersteund, genereren mogelijk een foutmelding dat de adapter onbekend is of dat de hardware niet functioneert.
    8. Vervolgens kunt u de logische partitie afsluiten met behulp van de functies van uw besturingssysteem en sluit u het werkstationvenster. Voor informatie over het afsluiten van AIX, raadpleegt u Opnieuw starten en afsluiten van AIX in en logische partitie.
  12. Activeer de logische partitie en controleer of de fysieke adapters op het beheerde systeem zijn verbonden met, en rapporteren aan, het beheerde systeem met behulp van de SMS-interface (System Management Services). Als Linux op het beheerde systeem is geïnstalleerd, of als er geen besturingssysteem op het beheerde systeem aanwezig is, kunt u de SMS-interface (System Management Services) gebruiken om alle beschikbare apparaten weer te geven. Als de logische partitie is geactiveerd, wordt de bus gecontroleerd op aangesloten apparaatadapters. De herkende adapter worden in een lijst weergegeven.
    1. Klik in het gegevensgebied met de rechtermuisknop op de partitie en kies Activeren.
    2. Klik op Geavanceerd.
    3. Selecteer in het veld Opstartmodus de optie SMS en klik op OK.
    4. Selecteer Terminalvenster of consolesessie openen en klik op OK. Er wordt een vterm-venster (virtuele terminal) voor de logische partitie geopend.
    5. Als de SMS-interface wordt weergegeven, typt u 5 en drukt u op Enter om optie 5 te selecteren [Opstartopties selecteren].
    6. Typ 1 en druk op Enter om optie 1 te selecteren[Een apparaat installeren of opstarten kiezen]
    7. Typ 7 en druk op Enter om optie 7 te selecteren [Alle apparatuur laten ziens]. Alle herkende apparaten in de partitie worden weergegeven. Als er apparaten zijn die niet worden weergegeven, neem dan contact op met de serviceafdeling voor technische ondersteuning.
      Opmerking: U kunt alleen de adapters ondersteunen die door SMS worden herkend. Adapters die niet door SMS worden ondersteund, genereren mogelijk een foutmelding dat de adapter onbekend is of dat de hardware niet functioneert.
    8. Als u klaar bent, sluit u het venster van de werkstationsessie en klikt u met de rechtermuisknop op de partitie in het gegevensgebied, klikt u op Partitie afsluiten en klikt u op OK.
  13. Wis de logische partitie die eigenaar is van alle systeemresources.
    Waarschuwing: Met deze procedure wist u de logische partitie en de configuratiegegevens voor de logische partitie die in de partitieprofielen zijn opgeslagen. Deze procedure is niet van invloed op de gegevens die in het beheerde systeem zijn opgeslagen.
    1. Open in het navigatiegebied van de HMC de optie Server en partitie.
    2. Selecteer Serverbeheer.
    3. In het gegevensgebied opent u het beheerde systeem dat u in partities indeelt.
    4. Open Partities.
    5. Controleer of de logische partitie is uitgeschakeld.
    6. Klik met de rechtermuisknop op de logische partitie en kies Wissen.
    7. Klik op Ja om de opdracht te bevestigen.
  14. Maak elke logische partitie op uw beheerde systeem volgens uw logische partitieplan. U kunt dit doen door een systeemplanbestand te importeren op uw HMC en het systeemplan toe te passen op het beheerde systeem. Voor meer informatie over het maken van logische partities met behulp van een systeemplan, raadpleegt u het onderwerpPartities maken met een systeemplan. U kunt de logische partities ook maken door voor elk van de gewenste logische partities de onderstaande procedure uit te voeren.
    1. Open in het navigatiegebied van de HMC de optie Server en partitie.
    2. Selecteer Serverbeheer.
    3. Klik in het inhoudgebied met de rechtermuisknop op Partities onder het beheerde systeem dat die u in partities indeelt, en klik op Maken > Logische partitie.
    4. Volg de stappen in de wizard Logische partitie maken om een logische partitie en een partitieprofiel te maken.
  15. Controleer of er ten minste een LAN-adapter op de HMC voorkomt die geconfigureerd is om verbinding te maken met de logische partities op uw beheerde systeem.
    1. Open in het navigatiegebied van de HMC de optie HMCBeheer.
    2. Klik op Configureren HMC.
    3. In het gegevensgedeelte klikt u op Netwerkinstellingen aanpassen.
    4. Klik op de tab LAN-adapters .
    5. Selecteer een andere LAN-adapter dan de eth0-adapter die de HMC met de serviceprocessor verbindt en klik op Details.
    6. In het tabblad LAN-adapter onder LAN-informatie, klikt u op Openen en selecteert u Partitiecommunicatie.
    7. Klik op het tabblad Firewall-instellingen.
    8. Zorg dat de RMC-toepassing een van de toepassingen is die wordt afgebeeld in Toegestane hosts. Als het niet wordt afgebeeld in Toegestane hosts, selecteert u de RMC-toepassing onder Beschikbare toepassingen en klikt u op Inkomend toestaan. De RMC-toepassing wordt afgebeeld in Toegestane hosts om aan te geven dat deze is geselecteerd.
    9. Klik op OK.
Als u de logische partities op uw beheerde systeem hebt gemaakt, moet u de volgende taken uitvoeren:
  1. Installeer besturingssystemen op de logische partities. Voor installatieprocedures voor de besturingssystemen AIX, i5/OS en Linux raadpleegt u Besturingssystemen installeren.
  2. Verbind de logische partities op uw beheerde systeem met de LAN-adapter die u zojuist hebt geconfigureerd op de HMC. U kunt een virtuele LAN maken om de logische partities op uw beheerde systeem met elkaar te verbinden, de virtuele LAN te verbinden met een fysieke Ethernet-adapter op een extern netwerk. en de LAN-adapter op de HMC te verbinden met hetzelfde externe netwerk. U kunt ook een fysieke Ethernet-adapter configureren op elke logische partitie, de fysieke Ethernet-adapters op de logische partities verbinden met een extern netwerk en de LAN-adapter op de HMC verbinden met hetzelfde externe netwerk. Voor informatie over het maken en configureren van virtuele Ethernet-adapters voor uw logische partities met AIX, raadpleegt u Een virtuele Ethernet-adapter voor AIX configureren. Voor informatie over het maken en configureren van virtuele Ethernet-adapters voor uw logische partities met i5/OS, raadpleegt u Een virtuele Ethernet-adapter voor i5/OS configureren.

Send feedback | Rate this page