Deze procedure bevat stapsgewijze instructies waarin wordt uitgelegd
hoe u virtuele schijven aan een logische partitie met
Linux toevoegt met behulp van
iSeries
Navigator en een tekstinterface.
Met behulp van virtuele schijven kunt u de hardwareconfiguratie op de server vereenvoudigen. Deze schijven zorgen er namelijk voor dat u geen extra fysieke apparaten op de server hoeft te installeren om Linux te kunnen uitvoeren.
U kunt maximaal 64 virtuele schijven aan een logische partitie in Linux toevoegen. Elke virtuele schijf biedt ondersteuning voor maximaal 1000 GB aan opslagruimte. Een virtuele schijf wordt in Linux afgebeeld als een schijfstation. De bijbehorende opslagruimte in het geïntegreerde bestandssysteem in
i5/OS wordt echter verdeeld
over alle schijven die deel uitmaken van de logische partitie met
i5/OS. Op die manier kunt u profiteren van de voordelen die de pariteitscontrole voor
apparatuur via i5/OS biedt.
Als u de pariteitscontrole voor apparatuur in Linux, hoeft u geen extra verwerkings- en geheugenresources te gebruiken.
Met i5/OS kunt u virtuele schijven dynamisch toevoegen aan een logische partitie in Linux. U kunt in het geïntegreerde bestandssysteem schijfruimte toewijzen en beschikbaar stellen aan Linux zonder dat u hiervoor de server of logische partitie opnieuw hoeft te starten. Daarnaast kan de Linux-beheerder de toegewezen schijfruimte configureren en beschikbaar stellen zonder de server opnieuw op te starten.
Om dynamisch virtuele schijven aan een logische partitie in
Linux toe te voegen, gaat u
als volgt te werk:
- Als u gebruikmaakt van
iSeries Navigator, definieer
dan de opslagruimte voor de netwerkserver met behulp van
iSeries Navigator.
- Klik op .
- Klik met de rechtermuisknop op Schijfstations en kies Nieuwe schijf.
- Geef in het veld Naam schijfstation de naam op die u voor de opslagruimte voor de netwerkserver wilt gebruiken.
- Geef in het veld Beschrijving een zinvolle naam op voor de opslagruimte voor de netwerkserver.
- Geef in het veld Capaciteit de grootte op van de opslagruimte voor de netwerkserver (in megabytes). Raadpleeg de installatiehandleiding van de Linux-wederverkoper voor informatie over het instellen van de grootte voor de opslagruimte.
- Klik op OK.
- Ga verder met stap 4.
- Als u gebruikmaakt van een
tekstinterface, gebruik deze dan als volgt voor het maken van opslagruimte voor
de netwerkserver:
- Typ op een i5/OS-opdrachtregel de opdracht CRTNWSSTG en druk op F4. Het scherm NWS-opslagruimte maken (CRTNWSSTG) wordt afgebeeld.
- Geef in het veld Opslagruimte netwerkserver de naam op voor de opslagruimte voor de netwerkserver.
- Geef in het veld Grootte de grootte (in megabytes) op voor de nieuwe opslagruimte voor de netwerkserver. Raadpleeg de installatiehandleiding van de Linux-wederverkoper voor informatie over het instellen van de grootte voor de opslagruimte.
- Geef in het veld voor tekstbeschrijving een zinvolle beschrijving van de
opslagruimte voor de netwerkserver.
- Druk op Enter.
- Als u gebruikmaakt van
iSeries Navigator, koppel de
opslagruimte voor de netwerkserver dan met behulp van
iSeries Navigator.
- Klik op .
- Klik op Schijfstations, klik met de rechtermuisknop op een beschikbare opslagruimte voor de netwerkserver en kies Koppeling toevoegen.
- Selecteer de server waaraan u de opslagruimte voor de netwerkserver wilt koppelen.
- Selecteer een van de beschikbare gegevenstoegangstypen.
- Klik op OK.
- Ga verder met stap 5.
- Als u gebruikmaakt van een tekstinterface,
gebruik deze dan als volgt voor het koppelen van de opslagruimte voor de
netwerkserver:
- Typ op een i5/OS-opdrachtregel de opdracht ADDNWSSTGL en druk op F4. Het scherm Koppeling opslag server toevoegen (ADDNWSSTGL) wordt afgebeeld.
- Geef in het veld Beschrijving netwerkserver de naam op van de netwerkserverbeschrijving (NWSD).
- Geef in het veld Dynamische koppeling vr opslag de waarde *YES op om de opslagruimte voor de netwerkserver dynamisch beschikbaar te stellen aan de partitie (dus beschikbaar stellen zonder de Linux-partitie opnieuw op te starten).
- Geef in het veld Stationvolgnummer het volgnummer van de koppeling op dat u wilt gebruiken.
- Druk op Enter.
- Als de logische partitie met
Linux
nog niet is geactiveerd, activeert u de partitie met in
Linux.
Ga pas verder als de partitie is geactiveerd.
- Meld u aan bij
Linux als hoofdgebruiker
(met rootprivileges).
- Stel het host-ID, de SCSI-bus en het nummer van de logische eenheid (logical unit number, LUN) van het virtuele schijfstation vast. U kunt de bestaande apparaten weergeven door op de
Linux-opdrachtaanwijzing
de volgende opdracht te typen: cat /proc/scsi/scsi.
In het volgende voorbeeld ziet u voorbeelduitvoer van de opdracht:
Attached devices:
Host: scsi0 Channel: 00 Id: 00 Lun: 00
Vendor: IBM Model: VDASD NETSPACE Rev: 0001
Type: Direct-Access ANSI SCSI revision: 04
In dit voorbeeld is NETSPACE de naam van de netwerkopslagruimte voor het weergegeven apparaat.
Zoek de naam van een bestaande netwerkopslagruimte op de logische partitie met
Linux.
Noteer het numerieke deel van de Host:-waarde (host-ID) en de waarden achter Channel: (SCSI-bus) en Lun: (nummer logische eenheid) van de bestaande netwerkopslagruimte. Het nieuwe virtuele schijfstation krijgt hetzelfde host-ID, dezelfde SCSI-bus en hetzelfde
LUN als de bestaande netwerkopslagruimte. Als de bestaande netwerkopslagruimte
bijvoorbeeld wordt weergegeven zoals in het bovenstaande voorbeeld, heeft het
nieuwe virtuele schijfstation het host-ID 0, de SCSI-bus
0 en het LUN 0.
- Bepaal het SCSI-ID van het nieuwe virtuele schijfstation. U kunt de bestaande apparaten in een tabel weergeven door op de Linux-opdrachtaanwijzing de volgende opdrachten te typen:
cd /proc/scsi/sg
cat device_hdr; cat devices
In het volgende voorbeeld ziet u voorbeelduitvoer van de opdrachten:
host chan id lun type opens qdepth busy online
0 0 0 0 0 2 30 0 1
0 1 0 0 0 0 30 0 1
Noteer de waarden bij host (host-ID), chan (SCSI-bus), id (SCSI-ID) en lun (nummer logische eenheid) voor de bestaande apparaten. Zoek de apparaten met hetzelfde host-ID, dezelfde SCSI-bus en hetzelfde LUN als het nieuwe virtuele schijfstation (zoals vastgesteld in de vorige stap). Zoek het apparaat met het grootste SCSI-ID. Het nieuwe virtuele schijfstation heeft een SCSI-ID dat één groter is dan het grootste bestaande SCSI-ID. Als het nieuwe virtuele schijfstation bijvoorbeeld het host-ID
0, SCSI-bus 0 en LUN 0
heeft, en de apparaten op de logische partitie in
Linux
overeenkomen met de voorbeelduitvoer hierboven, dan heeft het nieuwe virtuele
schijfstation het SCSI-ID 1.
- Typ de volgende opdracht bij de
Linux-opdrachtaanwijzing
om het virtuele schijfstation handmatig toe te voegen: echo "scsi
add-single-device host chan id lun" > /proc/scsi/scsi. Gebruik de volgende informatie voor een beter begrip van de argumenten van de opdracht:
- host is het host-ID.
- chan is de SCSI-bus.
- id is het SCSI-ID.
- lun is het LUN.
Als het nieuwe virtuele schijfstation bijvoorbeeld het host-ID0, de SCSI-bus 0, het SCSI-ID 1 en het LUN 0, typt u de opdracht echo "scsi add-single-device 0 0 1 0" > /proc/scsi/scsi op de Linux-opdracht aanwijzing.
- Typ bij de Linux-opdrachtaanwijzing de volgende opdracht om een schijfpartitie op het virtuele schijfstation te maken: fdisk /dev/sdb. U kunt deze opdracht alleen uitvoeren als u hoofdgebruikersmachtigingen hebt. De aanwijzing Command
(m for help): verschijnt.
- Geef p op bij de aanwijzing om te zien welke partitietabel voor het virtuele schijfstation wordt gebruikt. Standaard wordt voor het nieuwe virtuele schijfstation één schijfpartitie op de virtuele schijf afgebeeld. Bijvoorbeeld:
Disk /dev/sdb: 64 heads, 32 sectors, 200 cylinders
Units = cylinders of 2048 * 512 bytes
Device Boot Start End Blocks Id System
/dev/sdb1 1 199 203760 6 FAT16
- Typ d bij de opdrachtaanwijzing om de huidige partitie te wissen en maak vervolgens een nieuwe. De standaardindeling voor de schijfpartitie is FAT16. Gebruik in het virtuele schijfstation geen schijfpartities die zijn ingedeeld als FAT16. De aanwijzing Partition number
(1-4): verschijnt.
- Geef het schijfpartitienummer op dat u wilt wissen en druk op Enter. In dit voorbeeld typt u een 1. Met de opdrachtfdisk wordt met het afbeelden van de opdrachtaanwijzing aangegeven dat het wissen is voltooid.
- Typ n om een nieuwe schijfpartitie te maken. De aanwijzing Command action E extended P primary partition (1-4) verschijnt.
- Typ p om een primaire schijfpartitie in het virtuele schijfstation te maken en druk op Enter. De aanwijzing Partition number
(1-4): verschijnt.
- Aangezien de eerste partitie zich op de virtuele schijf bevindt, geeft u 1 op en drukt u op Enter. De aanwijzing First cylinder
(1-200, default 1): verschijnt.
- Druk op Enter om de standaardwaarde 1 voor de eerste schijfcilinder te gebruiken. Hierdoor wordt de hele schijf voor deze schijfpartitie gebruikt. De aanwijzingLast cylinder or +size or +sizeM or +sizeK (1-200, default 200): verschijnt.
- Druk op Enter om de standaardwaarde 200 voor de laatste schijfcilinder te gebruiken. Hierdoor wordt de hele virtuele schijf voor deze partitie gebruikt.
Opmerking: Voor het partitietype wordt standaard Linux gebruikt.
Als u een ander schijftype wilt gebruiken, bijvoorbeeld Logical Volume Manager (LM) of Linux Extended), geeft u t op om het partitietype te wijzigen.
Met de opdracht fdisk wordt de opdrachtaanwijzing afgebeeld en wordt aangegeven dat de partitie is gemaakt.
- Typ w om de wijzigingen in de schijfstructuur vast te leggen en druk op Enter. Met de opdracht fdisk worden de wijzigingen vastgelegd in het virtuele schijfstation. De opdracht fdisk
genereert de volgende diagnostische bericht:
The partition table has been altered!
Calling ioctl() to re-read partition table.
Syncing disks.
Als de bewerking is uitgevoerd, wordt met de opdracht fdisk de opdrachtaanwijzing afgebeeld.
- Formatteer de schijfpartitie met de Linux mkfs. U kunt een aantal optionele parameters voor de
opdracht mkfs gebruiken, maar in de meeste gevallen zullen de
standaardparameters volstaan. Als u de schijfpartitie wilt formatteren die u in
de vorige stappen hebt gemaakt, moet u zijn aangemeld als hoofdgebruiker en
geeft u de volgende opdracht op bij de Linux-opdrachtaanwijzing:
mkfs /dev/sdb1
Aangezien de secundaire schijf één schijfpartitie bevat, is de naam van de schijf /dev/sdb1 (met sdb wordt aangegeven dat het de tweede schijf is en met 1 wordt aangegeven dat het om partitie 1 gaat). Op basis van
de opdracht mkfs verschijnt het volgende diagnosebericht:
mke2fs 1.28 (31-Aug-2002)
Fileserver label=
OS type: Linux Block size=1024 (log=0)
Fragment size=1024 (log=0)
51200 inodes, 204784 blocks
10239 blocks (5.00%) reserved for the super user
First data block=1
25 block groups
8192 blocks per group, 8192 fragments per group
2048 inodes per group
Superblock backups stored on blocks:
8193, 24577, 40961, 57345, 73729
Writing inode tables: done
Writing superblocks and fileserver accounting information: done
This fileserver will be automatically checked every 29 mounts or
180 days, whichever comes first. Use tune2fs -c or -i to override.
- Typ de volgende opdracht om een directory te maken die u kunt gebruiken om het nieuwe bestand te openen: mkdir /mnt/data
- Typ de volgende opdracht om het virtuele schijfstation in de nieuwe directory te plaatsen: mount /dev/sdb1 /mnt/data
- Voeg een item toe aan het bestand /etc/fstab met behulp van een Linux-editor, zoals vi. Bijvoorbeeld:/dev/sdb1 /mnt/data ext2 defaults 1 1. Dit item installeert het virtuele schijfstation telkens als u Linux opnieuw opstart.