Partities maken met een systeemplan

Een systeemplan is een specificatie van de hardware en de logische partities op één of meer systemen. Elk systeemplan is opgeslagen in een systeemplan-bestand. U kunt een systeemplanbestand importeren in een Hardware Management Console (HMC) en het systeemplan in gebruik nemen voor de systemen die worden beheerd met de HMC. Wanneer u een systeemplan implementeert op een beheerd systeem, maakt de HMC op het beheerde systeem de logische partities die in het systeemplan zijn opgegeven. Afhankelijk van de onderlinge relaties van de logische partities in het systeemplan, kunt u alle logische partities maken die in het systeemplan zijn opgegeven of kunt u kiezen welke logische partities u wilt maken.

Met SPT (System Planning Tool) kunt u de hardware en logische partities voor een beheerd systeem opgeven en controleren, en daarna deze gegevens opslaan in een systeemplanbestand. U kunt dit systeemplanbestand dan importeren in de HMC waarmee het beheerde systeem wordt beheerd. Na het importeren kunt u het systeemplan in gebruik nemen op het beheerde systeem. U kunt ook de opdracht mksysplan opgeven in de opdrachtregelinterface van de HMC om een systeemplan te maken gebaseerd op de configuratie van de logische partitie van een van de beheerde systemen die worden beheerd met de HMC. Vervolgens kunt u het systeemplan gebruiken om identieke configuraties van logische partities te maken op beheerde systemen met dezelfde hardware. Meer informatie over het maken van een systeemplan op basis van een bestaande configuratie van logische partities vindt u in het onderwerp over de opdracht mksysplan.

Systeemplannen zijn bedoeld om logische partities te maken op nieuwe beheerde systemen waarop nog geen logische partities aanwezig zijn. U kunt een systeemplan in fasen implementeren, waarbij een aantal logische partities in de eerste fase worden gemaakt terwijl andere partities in een latere fase worden gemaakt. U kunt een systeemplan niet implementeren op een beheerd systeem dat al logische partities bevat die niet in de standaardconfiguratie van het systeem voorkomen. Wanneer u een systeemplan in fasen implementeert waarbij de resourcetoewijzingen voor de logische partities op het beheerde systeem in de verschillende fasen wordt gewijzigd, kunt u validatieproblemen voorkomen door het systeemplan met de gewijzigde resourcetoewijzingen opnieuw te maken.

Om een systeemplan te kunnen gebruiken voor het maken van logische partities, moet het systeemplanbestand aanwezig zijn op de HMC die het systeem beheert waarop u het systeemplan wilt implementeren. Als het systeemplanbestand nog niet op de HMC aanwezig is, moet u het bestand op de HMC importeren. U kunt het bestand op de HMC importeren met de volgende methoden:

Nadat u het systeemplanbestand hebt geïmporteerd op een HMC, kunt u het systeemplan in het bestand implementeren op de systemen die met de HMC worden beheerd.

Het systeemplanbestand heeft de bestandsextensie .sysplan.

Als u een systeemplan implementeert, controleert de HMC het systeemplan. De HMC implementeert een systeemplan alleen op een beheerd systeem als het schemaniveau van het systeemplan door de HMC wordt ondersteund, als het systeemplan geldig is en test van de hardware en de bestaande logische partities slaagt.

Bij de controle van de hardware op het beheerde systeem vergelijkt de HMC de volgende gegevens uit het systeemplan met de hardware die op het beheerde systeem aanwezig is:

De hardware die in het systeemplan is beschreven voldoet aan de validatietest als het overeenkomt met de hardware die door het beheerde systeem is opgegeven. De hardware op het beheerde systeem mag andere resources bevatten, naast de resources die is opgegeven in het systeemplan, maar de hardware op het beheerde systeem moet tenminste overeen komen met de hardware die in het systeemplan is opgegeven. Voorbeeld: In het systeemplan is een server met twee processors, 8 GB geheugen en een bepaalde plaatsing van fysieke I/O-adapters in de systeemeenheid opgegeven. Bij een server met twee processors, 16 GB geheugen en de juiste plaatsing van fysieke I/O-adapters in de systeemeenheid, plus een uitbreidingseenheid met extra fysieke I/O-adapters zal de validatietest slagen. Bij een server met 4 GB geheugen mislukt de validatietest. De validatietest mislukt ook als in het systeemplan een bepaald type fysieke I/O-adapter in een bepaalde sleuf is opgegeven en de desbetreffende sleuf in de daadwerkelijke systeemeenheid een ander type fysieke I/O-adapter bevat. (Maar als het systeemplan een lege sleuf is opgegeven, is elk type fysieke I/O-adapter in die sleuf op het daadwerkelijke systeem toegestaan.) De HMC voert geen vergelijking uit van de schijfstations die aangesloten zijn op de fysieke I/O-adapters met de schijfstations die zijn opgegeven in het systeemplan. U moet er zelf voor zorgen dat de schijfstations die in het beheerde systeem zijn geïnstalleerd de gewenste configuratie van logische partities ondersteunen. Interne Tnn-sleuven worden ook niet gevalideerd.

Bij de validatie van een bestaande logische partitie controleert de HMC het volgende: Als aan een van deze stappen niet wordt voldaan, mislukt de validatietest. Elke bestaande partitie die op het beheerde systeem wordt gevonden moet in het systeemplan voorkomen en moet overeenkomen met het systeemplan zoals dat in het beheerde systeem voorkomt.

  1. Bevat het systeemplan een logische partitie met hetzelfde partitie-ID als de bestaande logische partitie die in de standaardconfiguratie is opgegeven?
  2. Heeft de bestaande logische partitie partitieprofielen die overeenkomen met de partitieprofielen die zijn opgegeven voor de logische partitie in het systeemplan?
  3. Bevatten de partitieprofielen voor de bestaande logische partities de resources die zijn opgegeven in de partitieprofielen in het systeemplan?

Voorbeeld: Als de server een bestaande logische partitie bevat met partitie-ID 1, zoekt de HMC in het systeemplan naar een logische partitie met partitie-ID 1. Als deze logische partitie aanwezig is en een partitieprofiel met de naam SUPPORT heeft, controleert de HMC of de bestaande logische partitie een partitieprofiel met de naam SUPPORT heeft. Als dat het geval is, controleert de HMC of de resources die in het partitieprofiel SUPPORT in het systeemplan zijn opgegeven ook voorkomen in het partitieprofiel SUPPORT van de bestaande logische partitie.

Als de HMC de partitieprofielen valideert, worden de volgende resources in het partitieprofiel vergeleken:

Voorbeeld: Als in het partitieprofiel SUPPORT in het systeemplan 2 GB geheugen is opgegeven terwijl in het partitieprofiel SUPPORT van de bestaande logische partitie 3 GB is opgegeven, is de geheugenhoeveelheid geldig. Als in het partitieprofiel SUPPORT in het systeemplan 4 GB geheugen is opgegeven en in het partitieprofiel SUPPORT van de bestaande logische partitie 3 GB geheugen, is de geheugenhoeveelheid ongeldig. Als de fysieke I/O-sleuf P1 in het systeemplan is toegewezen aan het partitieprofiel SUPPORT en dit niet het geval is voor het partitieprofiel SUPPORT van de bestaande logische partitie, is de fysieke sleuftoewijzing ongeldig. Als de fysieke I/O-sleuf P2 in het systeemplan niet is toegewezen aan het partitieprofiel SUPPORT, is het niet van belang of sleuf P2 voor de bestaande logische partitie is toegewezen aan het partitieprofiel SUPPORT.

De HMC zorgt ook niet voor de installatie van het besturingssysteem op de logische partities. Daardoor is de HMC ook niet in staat om de virtuele I/O-adapters te configureren voor het besturingssysteem, om ervoor te zorgen dat de logische partities virtuele opslagresources kunnen bieden aan andere logische partities. Nadat het systeemplan is geïmplementeerd, moet u deze taken handmatig uitvoeren.


Send feedback | Rate this page