Netwerkinterfaces configureren

Configureer het aantal en type netwerkinterfaces op basis van uw systeembehoeften.

U kunt op het systeem netwerkinterfaces configureren. Het aantal en type interfaces varieert al naar gelang uw specifieke systeembehoeften.

Waarschuwing: Deze bewerking kan worden uitgevoerd als het systeem is ingeschakeld én als het systeem is uitgeschakeld. Aangezien wijzigingen in de netwerkconfiguratie onmiddellijk van kracht worden, worden bestaande netwerksessies, zoals HMC-verbindingen, afgebroken. Als er een firmware-update wordt uitgevoerd, moet u deze bewerking niet uitvoeren. De nieuwe instellingen moeten worden gebruikt om netwerkverbindingen te herstellen. Als het systeem is ingeschakeld kunnen eventuele fouten in een logboek worden vastgelegd.

U kunt de netwerkconfiguraties wijzigen als het systeem is in- of uitgeschakeld. Als het systeem is ingeschakeld, kunt u de netwerkconfiguraties alleen bekijken.

Om deze bewerking te kunnen uitvoeren, moet u beschikken over een van de volgende machtigingsniveaus:
  • Beheerder
  • Gemachtigde serviceprovider

U configureert netwerkinterfaces als volgt:

  1. Geef in het ASMI-welkomstvenster uw gebruikers-ID en wachtwoord op en klik op Aanmelden.
  2. Vouw in het navigatiegebied Netwerkservices uit.
  3. Selecteer Netwerkconfiguratie.
  4. In het rechterdeelvenster zoekt u de interface op die u wilt wijzigen. Selecteer het vakje bij het veld Deze interface configureren? voor de aangegeven interface. Als dit vakje niet is geselecteerd, worden de bijbehorende veldwijzigingen genegeerd.
  5. Selecteer het Type IP-adres aan de hand van de volgende opties:
    Statisch
    IP-adres, subnetmasker, broadcastadres, standaardgateway en eerste DNS-serveradres moeten worden opgegeven. De tweede en derde DNS-serveradressen zijn optioneel.
    Dynamisch
    Er is geen extra invoer nodig.
  6. Klik op Instellingen opslaan om de gegevens te bekrachtigen.
    Waarschuwing: Als er onjuiste netwerkconfiguratiegegevens zijn ingevoerd, is het mogelijk dat u de ASMI niet kunt gebruiken nadat de wijzigingen zijn aangebracht. Om dit te verhelpen, moet u de serviceprocessor terugzetten in de oorspronkelijk stand door de serviceprocessorassemblage uit de server te verwijderen en de reset-jumpers te verplaatsen. Als u de serviceprocessor opnieuw instelt, worden ook alle gebruikers-ID's en wachtwoorden weer op de standaardwaarden ingesteld.

    Met behulp van het volgende scherm kunt u controleren of de juiste IP-instellingen zijn ingevoerd. Klik op Continue om de wijzigingen uit te voeren.


Feedback verzenden | Beoordeel deze pagina