In dit onderwerp wordt beschreven hoe u de netwerkgegevens (zoals een nieuw IP-adres) van de netwerkadapter, de adapter die voor een lokale console op een netwerk (LAN) wordt gebruikt, of de servicetoolsserver kunt wijzigen.
Voer de volgende stappen uit als u wijzigingen in het netwerk wilt aanbrengen:
- Toegang
tot Dedicated Service Tools (DST) of System Service Tools (SST).
- Klik op Werken met DST-omgeving als u DST gebruikt of klik op Work with service tools user IDs and devices als u SST gebruikt.
- Kies Systeemapparaten als u DST gebruikt.
- Klik op Console selecteren.
- Klik op Operations Console (LAN). De LAN-adapter die momenteel wordt gebruikt, wordt nu weergegeven.
- Druk op F11.
- Gebruik een van de volgende methoden om de wijziging aan te brengen:
- Als u een eenvoudige wijziging aanbrengt, zoals een IP-adres, moet u de nieuwe waarden invoeren.
- Als u de adapterkaart wijzigt, moet u op F6 drukken om de oude gegevens te wissen.
- Druk op F7 om de nieuwe waarden op te slaan.
- Druk op F3 tot het DST-hoofdmenu wordt weergegeven.
Belangrijk: Als de wijziging geen invloed heeft op het netwerk-IP-adres of de service-hostnaam (interfacenaam) kunt u deze instructies nu afsluiten. De wijziging wordt van kracht na de volgende opstartprocedure (IPL) of wanneer de console de volgende keer opnieuw wordt gestart. Als u een onmiddellijke wijziging wilt forceren, kunt u de eigen macro OPSCONSOLE
RESTART gebruiken. Hierdoor wordt de verbinding met de huidige console verbroken.
Als door uw wijziging het IP-adres van het netwerk of de service-hostnaam (interfacenaam) niet meer gelijk is voor de momenteel geconfigureerde verbindingen, moet deze wijziging ook worden doorgevoerd op alle PC's die een verbinding maken met deze service-hostnaam (interfacenaam). Omdat u het netwerk-IP-adres of de service-hostnaam (interfacenaam) in de configuratie van een bestaande verbinding op de client niet kunt wijzigen, moet u de huidige verbinding wissen en opnieuw een nieuwe verbinding maken met behulp van het nieuwe netwerk-IP-adres. Ga verder met stap 10.
- Het wachtwoord voor het apparatuur-ID voor servicetools op de server opnieuw instellen. Dit kunt u doen met behulp van de DST (Dedicated Service Tools of de SST (System Service Tools). U moet de SST-optie echter eerst ontgrendelen voor u de optie kunt gebruiken. Voor meer informatie over SST, raadpleegt u Apparatuur-ID's van servicetools ontgrendelen in SST.
- Toegang
tot Dedicated Service Tools (DST) of System Service Tools (SST).
- Als u DST gebruikt, selecteert u Werken met DST-omgeving; als
u SST gebruikt, selecteert u Work with service tools user IDs
and devices.
- Kies Gebruikers-ID's servicetools.
- Typ een 2 voor het apparatuur-ID voor servicetools dat opnieuw moet worden
ingesteld, en druk op Enter.
- Druk opnieuw op Enter om het opnieuw instellen te bevestigen.
Belangrijk: Als er meer dan een PC met behulp van een netwerkverbinding met deze service-hostnaam
(interfacenaam) is verbonden, moet u de configuraties verwijderen en moet u daarom ook de apparatuur-ID's
voor servicetools van die PC's opnieuw instellen. Als u een ander apparatuur-ID voor servicetools opnieuw
wilt instellen, moet u deze stappen herhalen.
Opmerking: Als u het wachtwoord opnieuw instelt in DST, wordt het wachtwoord van het apparatuur-ID de naam van
het apparatuur-ID in hoofdletters.
- Druk op F3 tot het DST-hoofdmenu wordt weergegeven.
- Kies een van de volgende methoden om de netwerkwijzigingen te voltooien.
Er bestaan twee methoden om de noodzakelijke stappen uit te voeren om een nieuw IP- adres of
service-hostnaam (interfacenaam) toe te staan. De eerste methode is het opnieuw starten van
de server. Deze methode wordt aangeraden omdat u dan meer controle hebt als u de overige werkzaamheden
uitvoert op de PC. Het systeem blijft de oude waarden gebruiken tot u de server opnieuw opstart. Voor
de tweede methode moet u handmatig te werk gaan. Dankzij deze methode moet het systeem onmiddellijk uw
wijziging gebruiken.
- De server opnieuw starten (aangeraden)
Voorwaarde voor deze methode
is dat de configuratie van de client is aangepast voordat u de volgende verbinding met behulp van een
lokale console in een netwerk (LAN) tot stand brengt. Als u momenteel werkt met de
lokale console (in een netwerk (LAN), kunt u de server starten (in de bewaakte werkstand) en dan kunt
u tijdens het opstartproces van de server de client opnieuw configureren.
U kunt bijvoorbeeld een andere PC dan de PC die momenteel is verbonden,
gebruiken als de console. U kunt de configuratie op die PC voltooien met behulp van de hier beschreven
stappen. Als de server is gestart, kunt u de huidige verbinding van de
console met de PC verbreken en een verbinding op de andere PC tot stand brengen met de configuratie die
u zojuist hebt gemaakt. Op deze manier kunt u de configuratie van de bestaande client rustig aanpassen
voordat u de volgende verbinding met de server tot stand brengt.
- Start de server in de bewaakte modus. Zie Het systeem starten of stoppen.
- Ga naar Wijzigingen op de PC voltooien.
- Voer de handmatige wijzigingen uit
Dankzij deze methode moet het systeem
onmiddellijk uw wijziging gebruiken.
- Toegang
tot Dedicated Service Tools (DST) of System Service Tools (SST).
- Klik op Werken met DST-omgeving als u DST gebruikt of klik op Work with service tools user IDs and devices als u SST gebruikt.
- Kies Systeemapparaten als u DST gebruikt.
Opmerking: Hierdoor wordt de status Connecting console weergegeven voor alle met een LAN verbonden console-PC'S. Als er meer dan een met een LAN verbonden console-PC is verbonden, weet u bovendien nooit welk consoleapparaat als volgende wordt geselecteerd.
- Ga verder met Wijzigingen op de PC voltooien.
Belangrijk: Als u een onmiddellijke wijziging wilt forceren, kunt u de eigen macro OPSCONSOLE
RESTART gebruiken.