Er zijn een aantal belangrijke kwesties waarmee u rekening moet houden als u Operations Console voor een of meer servers wilt gebruiken.
Lees de onderstaande overwegingen voor servers met en zonder een Hardware Management Console (HMC), en lees vervolgens de overwegingen voor alle servers.
Servers zonder een HMC
Servers met een HMC
Alle servers
Als een server niet met een HMC wordt beheerd en de ondersteuning voor de standaard ingebedde Ethernet-poort is uitgeschakeld, moet de hardware die de console ondersteunt zich op basis van het servermodel in specifieke sleuflocaties bevinden. Voor een Operations Console (LAN) kan er meer dan een locatie zijn die een console kan ondersteunen. Als er meer dan een locatie beschikbaar is voor een servermodel, worden de locaties volgens prioriteit van hoog naar laag weergegeven als er door de console naar hardwareresources voor consoles wordt gezocht. Standaard wordt de eerste ingebedde Ethernet-poort gebruikt voor een lokale console op een netwerk (LAN).
Bovendien kunnen de 5706/5707-adapters zonder een I/O-processor worden uitgevoerd. Als u geen ingebedde Ethernet-poort, geen 5706/5707, of geen van beide voor de console wilt gebruiken, kunt u deze ondersteuning naar wens in- en uitschakelen door de stappen in Ondersteuning uitschakelen voor de standaard ingebedde Ethernet-poort of 5706/5707-adapters. uit te voeren. U kunt ook de eigen macro OPSCONSOLE of de servicefuncties van de console (65+21) gebruiken om deze ondersteuning uit te schakelen. Voor meer informatie ever deze opties, raadpleegt u Problemen oplossen met de macro OPSCONSOLE of Servicefuncties van console gebruiken (65 + 21).
Als een server niet met een HMC wordt beheerd, is het mogelijk meer dan een consoleadapter voor activering beschikbaar te hebben. Het consoletype is bijvoorbeeld ingesteld op Operations Console (LAN) en er is een apparaat op aangesloten en het is de systeemconsole. Als er ook een Operations Console (Direct)-adapter is geactiveerd, kan het bijbehorende apparaat ook tegelijk een verbinding tot stand brengen. Dit apparaat kan echter niet de console worden en geeft alleen het venster Status console-informatie weer. Alle adapters zijn vast toegewezen aan hun specifieke functie en kunnen niet worden gebruikt in i5/OS.
Voor IBM System i5 520-modellen met IOPless-functionaliteit, die niet worden beheerd met een HMC, installeert u PTF MF39303 (V5R3M5) of PTF MF39304 (V5R4M0) om het op uw systeem mogelijk te maken om gebruik te maken van asynchrone adapters in meerdere sleuven tegelijk. Deze PTF's maken het ook mogelijk om asynchrone adapter 2793 te plaatsen in IOPless-sleuf C4. Na installatie van deze PTF's kunt u een afzonderlijke asynchrone adapter selecteren voor gebruik in combinatie met de console, Electronic Customer Support (ECS) en service op afstand. Hierbij maakt u gebruik van een ingebouwde macro of de servicefuncties van de console (65+21). De console, ECS en de functies voor service op afstand moeten alle gebruikmaken van een enkele asynchrone adapter. Sleuf C4 kunt u niet selecteren voor de console bij gebruik van adapter 2793, maar wel voor gebruik in combinatie met ECS en service op afstand.
Modellen i5/5xx ondersteunen alleen labels op het niveau van een I/O-adapter. Het grootste voordeel is dat u nu kunt opgeven welke specifieke adapter u voor uw console wilt gebruiken. Als u het consoletype wilt wijzigen, kunt u dit in de meeste gevallen zonder opstartprocedure (IPL) doen. Voor meer informatie over het wijzigen van de console raadpleegt u Consoles, interfaces en werkstations wijzigen.
Voor meer informatie over het wijzigen van consoletypen zonder opstartprocedure (IPL), raadpleegt u Consolelabels wijzigen zonder een IPL.
Voor het label console moeten een I/O-adapter worden opgegeven. Het label Operations Console is vereist als u een rechtstreeks verbonden console gebruikt, als u een configuratie maakt voor een rechtstreeks verbonden backupconsole, of als u een adapter voor asynchrone communicatie voor service op afstand gebruikt. Als u de I/O-adapter aanwijst, kunt u de specifieke adapter selecteren die voor Operations Console moet worden gebruikt. Als er daarom verschillende voor consoles geschikte adapters in de I/O-processor voorkomen, wordt alleen de geselecteerde adapter voor de console gebruikt. Als u de I/O-adapter labelt, wordt automatisch het consoletype ingesteld tijdens de opstartprocedure (IPL) die volgt op het bijwerken van het partitieprofiel.
U kunt het opdrachtvenster van de HMC gebruiken om het label op te geven. Hierdoor kan de wijziging onmiddellijk worden gebruikt, hoewel het in sommige gevallen kan voorkomen dat u het systeem moet forceren om de nieuwe console vast te stellen. Dit kunt u doen met hetzelfde opdrachtvenster, met de eigen macro OPSCONSOLE of met de servicefuncties van de console (65+21). Voor meer informatie over het wijzigen van de console raadpleegt u Consoles, interfaces en werkstations wijzigen.
Voor meer informatie over het wijzigen van consoletypen zonder opstartprocedure (IPL), raadpleegt u Consolelabels wijzigen zonder een IPL.
Niet alle voor consoles ondersteunde adapters kunnen zonder I/O-processor worden uitgevoerd. De IOPless-adapters die worden ondersteund voor Operations Console zijn de adapters 5706/5707. Als u deze adapters gebruikt, kunt u de LAN-adapters in elke ongebruikte sleuf van uw server plaatsen wanneer bewerkingen zonder I/O-processor door uw server worden ondersteund en wanneer u server wordt beheerd door een HMC. Als het systeem niet door een HMC wordt beheerd, moet de 5706/5707 LAN-adapter zich op een van de aangewezen kaartlocaties bevinden die ondersteuning biedt voor een lokale console op een netwerk (LAN). Alleen de eerste poort van deze adapter kan voor de console worden gebruikt. Als u ervoor kiest deze adapter te gebruiken in plaats van de standaard ingebedde Ethernet-poort, moet u de ingebedde poort uitschakelen voordat het systeem de adapter kan gebruiken. Voor het uitschakelen van ondersteuning voor de standaard ingebedde Ethernet-poort raadpleegt u Ondersteuning uitschakelen voor de standaard ingebedde Ethernet-poort of 5706/5707-adapters..
Als er geen consoletype is opgegeven, bijvoorbeeld als er een nieuwe partitie wordt gemaakt, wordt de ondersteunende hardware gebruikt die wordt gelabeld met de HMC. Als er geen HMC aanwezig is, wordt de console vastgesteld door adapters die per locatie in aanmerking komen. Als er meer dan een adapter wordt gevonden die in aanmerking komt, wordt de console bepaald door het apparaat dat verbinding maakt. In het geval van een server zonder een HMC geldt bijvoorbeeld dat, indien u de Operations Console (rechtstreeks verbonden) gebruikt en u over een LAN-adapter beschikt waarmee een console kan worden ondersteund en die een geldige configuratie heeft, de console de rechtstreeks verbonden PC is. De LAN-adapter wordt echter tijdens de opstartprocedure (IPL) gestart en voor de PC of PC's die de verbinding maakt of maken, wordt het venster Console Information Status weergegeven. Voor de optie voor het overnemen van de console wordt de waarde NO afgebeeld en met het bericht onder aan het scherm wordt aangegeven dat dit apparaat niet het ondersteunde consoletype is.
De service-interface is een enkele adapter die voor servicetools wordt gebruikt. Voor een lokale console die rechtstreeks is verbonden, geldt dat dit de service-interface is indien er geen netwerkadapter via de locatie of partitielabels is geselecteerd. Meestal is het een netwerkadapter waarmee een lokale console op een netwerk of de servicetoolsserver wordt ondersteund. In de gevallen dat er een geldige netwerkadapter beschikbaar is, is dit de service-interface zelfs als er een andere console is geselecteerd en er een geldige servicehostnaam aan de adapter is gekoppeld. Deze adapter kan een console, de servicetoolsserver, of beide ondersteunen.
Het kan voorkomen dat de console niet wordt verbonden met behulp van deze netwerkadapter, maar dat de servicetoolsserver is geconfigureerd om de interface van iSeries Navigator te ondersteunen bij het configureren van vaste-schijfstations of vergelijkbare functies. In dat geval kan de adapter geen lijnbeschrijving ondersteunen die wordt gebruikt in i5/OS. Het is mogelijk om een lokale console te hebben die rechtstreeks is verbonden met bijvoorbeeld een 2793-adapter en een 2849-netwerkadapter die geconfigureerd is voor de servicetoolsserver. Deze beide adapters worden vervolgens toegewezen om hun respectievelijke functie te ondersteunen en zijn niet beschikbaar in i5/OS.
Installeer uw consoleadapter niet op dezelfde I/O-processor als eventuele opslagapparaten. Door gebruik te maken van een vast toegewezen IOP voor de consoleadapter en een voor de opslagapparaten verkleint u de kans op connectiviteitsproblemen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat tijdens zeer intensief gebruik van de opslagapparaten de console tijdelijk niet meer lijkt te werken. Als dit gebeurt, wordt de functionaliteit meestal na korte tijd weer hersteld. Als u de console op gemeenschappelijke resources moet installeren, moet u het andere gebruik tot een minimum beperken om de betrouwbaarheid van de console te vergroten en moet u de consoleoptie Toestaan dat console wordt overgenomen door een andere console inschakelen.
Nieuwe servers en partities gebruiken hoogstwaarschijnlijk distributiemedia van IBM en daarom is QCONSOLE het enige beschikbare apparatuur-ID voor servicetools. Als u een herstelinstallatie van een server of partitie moet uitvoeren met de initialisatieoptie (scratch-installatie) enIBMdistributiemedia gebruikt, is alleen QCONSOLE beschikbaar. Als u QCONSOLE niet wilt gebruiken,of als er door de geconfigureerde verbinding (op de PC) een ander apparatuur-ID voor servicetools wordt gebruikt, bent u gedwongen de configuratie te wissen en opnieuw te maken zodat u QCONSOLE kunt gebruiken.
In een gepartitioneerde omgeving verwijst een alternatieve console naar een twinaxconsole die is verbonden met een andere I/O-adapter of I/O-processor die als de alternatieve console is gelabeld. Met het label console moet ook een twinaxconsole worden opgegeven. Met een alternatieve console beschikt u over een extra beschermingslaag. Als tijdens een bewaakte opstartprocedure door het systeem een fout in de primaire console wordt aangetroffen, wordt automatisch de gelabelde resource van de alternatieve console geprobeerd. Als u dezelfde resource zowel als de console als de alternatieve console labelt, kan dit tot gevolg hebben dat er helemaal geen console kan worden gekozen. Voor meer informatie over het als console gebruiken van de Operations Console als er geen twinaxconsole beschikbaar is, raadpleegt u Backupconsole voor i5/OS.
Als u de Operations Console (LAN) gebruikt, moet u een servicehostnaam (interface) maken. Nadat u deze hebt gemaakt, kan de server ook de servicetoolsserver gebruiken, bijvoorbeeld voor de ondersteuning van iSeries Navigator-functies. U kunt echter een netwerkadapter voor de servicetoolsserver gebruiken als de console iets anders is dan de Operations Console (LAN). Als u dit wilt doen, moet u de servicehostnaam (interface) configureren, zodat die verbinding door de servicetoolsserver wordt gebruikt. Als er tijdens de opstartprocedure (IPL) een geconfigureerde netwerkadapter beschikbaar is, activeert het systeem de adapter die de console ondersteunt, maar activeert het ook de adapter die gebruikt wordt voor de servicehostnaam, als dit een andere adapter is. Volgens dit scenario beschikt u nu over twee vast toegewezen resources in uw systeem die niet kunnen worden gebruikt door i5/OS. Omgekeerd geldt het volgende: als u voorheen een servicehostnaam had voor iSeries Navigator en nu Operations Console (LAN) gebruikt, hoeft u geen IP-configuratiewijzigingen aan te brengen omdat dezelfde resource wordt gebruikt.
Dankzij de functie voor het overnemen en herstellen van een console kan de ene lokale console op een netwerk (LAN) de besturing van de server overnemen van een andere lokale console op een netwerk (LAN). Deze basisfunctie is niet beschikbaar voor een ander consoletype. Deze optie biedt echter wel een aantal herstelmogelijkheden. De HMC kan een consoleverbinding gemeenschappelijk gebruiken maar voort geen daadwerkelijke overname uit. Raadpleeg voor meer informatie Consoles overnemen en herstellen.
Als u de Operations Console (LAN) gebruikt terwijl er verschillende PC's zijn geconfigureerd die als console kunnen dienen, worden al deze PC's actief verbonden tijdens de opstartprocedure. Het is niet te voorspellen welke PC de console wordt omdat de eerste PC die een verbinding maakt de actieve console wordt. Als u de console-optie Toestaan dat console wordt overgenomen door een andere console hebt ingeschakeld, kunt u de console overnemen op de PC die u wilt gebruiken.
Het maximumaantal actieve emulatorsessies dat per PC beschikbaar is, is beperkt tot 26. Actieve emulatorsessies worden aangegeven met een letter uit het alfabet (A t/m Z). U kunt over meer dan 26 geconfigureerde verbindingen beschikken, maar er kunnen slechts 26 van die sessies actief zijn. In de tijd dat deze sessies worden gebruikt, kunt u de emulator voor een verbonden configuratie afsluiten om een emulator-ID vrij te maken. De volgende emulatiesessie die wordt gestart, kan dat ID vervolgens gebruiken.
Een andere beperking voor verschillende verbonden emulators op de zelfde PC is het aantal beschikbare PC resources, geheugen en beeldopties waarmee een groot aantal verbindingen wordt ondersteund. Omdat elke verbinding en de bijbehorende functies (console, bedieningspaneel. of beide) gebruikmaken van PC-resources, kan het nodig zijn om meer geheugen toe te voegen om meer verbonden sessies te kunnen ondersteunen. De hardware, het besturingssysteem en de actieve programma's van elke PC variëren, zodat het niet echt mogelijk is om vooraf te bepalen hoeveel sessies er worden ondersteund.