Algemene overwegingen voor Operations Console

Er zijn een aantal belangrijke kwesties waarmee u rekening moet houden als u Operations Console voor een of meer servers wilt gebruiken.

Belangrijk: IBM System i5 and eServer i5-modellen beginnen met 1 (zelfs als het de enige partitie is) in plaats van 0 bij het tellen van logische partities. Als u wilt dat de verbinding van de console op de juiste wijze tot stand wordt gebracht, moet de nummering van uw logische partities ook met 1 beginnen in plaats van 0. Dit is met name belangrijk als u de server configureert aan de hand van de netwerkgegevens met een BOOTP-proces.

Lees de onderstaande overwegingen voor servers met en zonder een Hardware Management Console (HMC), en lees vervolgens de overwegingen voor alle servers.

Servers zonder een HMC

Servers met een HMC

Alle servers

Door systemen zonder een HMC wordt de console op basis van de adapterlocatie bepaald.

Als een server niet met een HMC wordt beheerd en de ondersteuning voor de standaard ingebedde Ethernet-poort is uitgeschakeld, moet de hardware die de console ondersteunt zich op basis van het servermodel in specifieke sleuflocaties bevinden. Voor een Operations Console (LAN) kan er meer dan een locatie zijn die een console kan ondersteunen. Als er meer dan een locatie beschikbaar is voor een servermodel, worden de locaties volgens prioriteit van hoog naar laag weergegeven als er door de console naar hardwareresources voor consoles wordt gezocht. Standaard wordt de eerste ingebedde Ethernet-poort gebruikt voor een lokale console op een netwerk (LAN).

Bovendien kunnen de 5706/5707-adapters zonder een I/O-processor worden uitgevoerd. Als u geen ingebedde Ethernet-poort, geen 5706/5707, of geen van beide voor de console wilt gebruiken, kunt u deze ondersteuning naar wens in- en uitschakelen door de stappen in Ondersteuning uitschakelen voor de standaard ingebedde Ethernet-poort of 5706/5707-adapters. uit te voeren. U kunt ook de eigen macro OPSCONSOLE of de servicefuncties van de console (65+21) gebruiken om deze ondersteuning uit te schakelen. Voor meer informatie ever deze opties, raadpleegt u Problemen oplossen met de macro OPSCONSOLE of Servicefuncties van console gebruiken (65 + 21).

Verschillende voor console geschikte adapters op systemen zonder een HMC

Verschillende I/O-processors die een consolewerkstation kunnen ondersteunen, kunnen de selectie van de gewenste LAN-adapter bemoeilijken. Houd rekening met het volgende:
  • De server probeert de eerste, of enige, console-IOA te gebruiken op basis van de huidige waarde van het consoletype.
  • Als uw servermodel een tweede adapterlocatie voor LAN ondersteund en er een LAN-adapter is geïnstalleerd, kan de server, als er een probleem met de eerste adapter optreedt, de tweede LAN-adapter voor de console gebruiken, waardoor deze niet door i5/OS kan worden gebruikt.

Adapteractivering als er verschillende consoletypen beschikbaar zijn.

Als een server niet met een HMC wordt beheerd, is het mogelijk meer dan een consoleadapter voor activering beschikbaar te hebben. Het consoletype is bijvoorbeeld ingesteld op Operations Console (LAN) en er is een apparaat op aangesloten en het is de systeemconsole. Als er ook een Operations Console (Direct)-adapter is geactiveerd, kan het bijbehorende apparaat ook tegelijk een verbinding tot stand brengen. Dit apparaat kan echter niet de console worden en geeft alleen het venster Status console-informatie weer. Alle adapters zijn vast toegewezen aan hun specifieke functie en kunnen niet worden gebruikt in i5/OS.

Locatie selecteren voor een afzonderlijke asynchrone adapter

Voor IBM System i5 520-modellen met IOPless-functionaliteit, die niet worden beheerd met een HMC, installeert u PTF MF39303 (V5R3M5) of PTF MF39304 (V5R4M0) om het op uw systeem mogelijk te maken om gebruik te maken van asynchrone adapters in meerdere sleuven tegelijk. Deze PTF's maken het ook mogelijk om asynchrone adapter 2793 te plaatsen in IOPless-sleuf C4. Na installatie van deze PTF's kunt u een afzonderlijke asynchrone adapter selecteren voor gebruik in combinatie met de console, Electronic Customer Support (ECS) en service op afstand. Hierbij maakt u gebruik van een ingebouwde macro of de servicefuncties van de console (65+21). De console, ECS en de functies voor service op afstand moeten alle gebruikmaken van een enkele asynchrone adapter. Sleuf C4 kunt u niet selecteren voor de console bij gebruik van adapter 2793, maar wel voor gebruik in combinatie met ECS en service op afstand.

Voorbeeld: Als Als er een asynchrone adapter aanwezig is in zowel C2 als C3, voor gebruik door Operations Console (Direct), kunt u een van beide sleuven gebruiken voor de console, ECS en service op afstand, zonder dat u de asynchrone adapter hoeft te verwijderen uit de andere sleuf.

Een I/O-adapter voor een console labelen met een HMC

Modellen i5/5xx ondersteunen alleen labels op het niveau van een I/O-adapter. Het grootste voordeel is dat u nu kunt opgeven welke specifieke adapter u voor uw console wilt gebruiken. Als u het consoletype wilt wijzigen, kunt u dit in de meeste gevallen zonder opstartprocedure (IPL) doen. Voor meer informatie over het wijzigen van de console raadpleegt u Consoles, interfaces en werkstations wijzigen.

Voor meer informatie over het wijzigen van consoletypen zonder opstartprocedure (IPL), raadpleegt u Consolelabels wijzigen zonder een IPL.

Logische partities voor een console labelen met een HMC

Houd rekening met het volgende als u wilt bepalen wat u voor Operations Console moet labelen:
Operations Console (LAN)
Als u een LAN-PC voor uw console gebruikt, hoeft u alleen een label voor console in te stellen.
Operations Console (rechtstreeks verbonden)
Als u een rechtstreeks met een kabel verbonden PC voor uw console gebruikt, moet u labels opgeven voor de console en de Operations Console. Het label Operations Console is het equivalent van het vroegere ECS-label (Electronic Customer Support).

Een I/O-adapter voor een console en Operations console labelen met een HMC

Voor het label console moeten een I/O-adapter worden opgegeven. Het label Operations Console is vereist als u een rechtstreeks verbonden console gebruikt, als u een configuratie maakt voor een rechtstreeks verbonden backupconsole, of als u een adapter voor asynchrone communicatie voor service op afstand gebruikt. Als u de I/O-adapter aanwijst, kunt u de specifieke adapter selecteren die voor Operations Console moet worden gebruikt. Als er daarom verschillende voor consoles geschikte adapters in de I/O-processor voorkomen, wordt alleen de geselecteerde adapter voor de console gebruikt. Als u de I/O-adapter labelt, wordt automatisch het consoletype ingesteld tijdens de opstartprocedure (IPL) die volgt op het bijwerken van het partitieprofiel.

U kunt het opdrachtvenster van de HMC gebruiken om het label op te geven. Hierdoor kan de wijziging onmiddellijk worden gebruikt, hoewel het in sommige gevallen kan voorkomen dat u het systeem moet forceren om de nieuwe console vast te stellen. Dit kunt u doen met hetzelfde opdrachtvenster, met de eigen macro OPSCONSOLE of met de servicefuncties van de console (65+21). Voor meer informatie over het wijzigen van de console raadpleegt u Consoles, interfaces en werkstations wijzigen.

Voor meer informatie over het wijzigen van consoletypen zonder opstartprocedure (IPL), raadpleegt u Consolelabels wijzigen zonder een IPL.

5706/5707-adapters zonder I/O-processor

Niet alle voor consoles ondersteunde adapters kunnen zonder I/O-processor worden uitgevoerd. De IOPless-adapters die worden ondersteund voor Operations Console zijn de adapters 5706/5707. Als u deze adapters gebruikt, kunt u de LAN-adapters in elke ongebruikte sleuf van uw server plaatsen wanneer bewerkingen zonder I/O-processor door uw server worden ondersteund en wanneer u server wordt beheerd door een HMC. Als het systeem niet door een HMC wordt beheerd, moet de 5706/5707 LAN-adapter zich op een van de aangewezen kaartlocaties bevinden die ondersteuning biedt voor een lokale console op een netwerk (LAN). Alleen de eerste poort van deze adapter kan voor de console worden gebruikt. Als u ervoor kiest deze adapter te gebruiken in plaats van de standaard ingebedde Ethernet-poort, moet u de ingebedde poort uitschakelen voordat het systeem de adapter kan gebruiken. Voor het uitschakelen van ondersteuning voor de standaard ingebedde Ethernet-poort raadpleegt u Ondersteuning uitschakelen voor de standaard ingebedde Ethernet-poort of 5706/5707-adapters..

Geconfigureerd consoletype

Als er geen consoletype is opgegeven, bijvoorbeeld als er een nieuwe partitie wordt gemaakt, wordt de ondersteunende hardware gebruikt die wordt gelabeld met de HMC. Als er geen HMC aanwezig is, wordt de console vastgesteld door adapters die per locatie in aanmerking komen. Als er meer dan een adapter wordt gevonden die in aanmerking komt, wordt de console bepaald door het apparaat dat verbinding maakt. In het geval van een server zonder een HMC geldt bijvoorbeeld dat, indien u de Operations Console (rechtstreeks verbonden) gebruikt en u over een LAN-adapter beschikt waarmee een console kan worden ondersteund en die een geldige configuratie heeft, de console de rechtstreeks verbonden PC is. De LAN-adapter wordt echter tijdens de opstartprocedure (IPL) gestart en voor de PC of PC's die de verbinding maakt of maken, wordt het venster Console Information Status weergegeven. Voor de optie voor het overnemen van de console wordt de waarde NO afgebeeld en met het bericht onder aan het scherm wordt aangegeven dat dit apparaat niet het ondersteunde consoletype is.

Toegewezen adapterresource

De service-interface is een enkele adapter die voor servicetools wordt gebruikt. Voor een lokale console die rechtstreeks is verbonden, geldt dat dit de service-interface is indien er geen netwerkadapter via de locatie of partitielabels is geselecteerd. Meestal is het een netwerkadapter waarmee een lokale console op een netwerk of de servicetoolsserver wordt ondersteund. In de gevallen dat er een geldige netwerkadapter beschikbaar is, is dit de service-interface zelfs als er een andere console is geselecteerd en er een geldige servicehostnaam aan de adapter is gekoppeld. Deze adapter kan een console, de servicetoolsserver, of beide ondersteunen.

Het kan voorkomen dat de console niet wordt verbonden met behulp van deze netwerkadapter, maar dat de servicetoolsserver is geconfigureerd om de interface van iSeries Navigator te ondersteunen bij het configureren van vaste-schijfstations of vergelijkbare functies. In dat geval kan de adapter geen lijnbeschrijving ondersteunen die wordt gebruikt in i5/OS. Het is mogelijk om een lokale console te hebben die rechtstreeks is verbonden met bijvoorbeeld een 2793-adapter en een 2849-netwerkadapter die geconfigureerd is voor de servicetoolsserver. Deze beide adapters worden vervolgens toegewezen om hun respectievelijke functie te ondersteunen en zijn niet beschikbaar in i5/OS.

Consoleadapter installeren

Installeer uw consoleadapter niet op dezelfde I/O-processor als eventuele opslagapparaten. Door gebruik te maken van een vast toegewezen IOP voor de consoleadapter en een voor de opslagapparaten verkleint u de kans op connectiviteitsproblemen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat tijdens zeer intensief gebruik van de opslagapparaten de console tijdelijk niet meer lijkt te werken. Als dit gebeurt, wordt de functionaliteit meestal na korte tijd weer hersteld. Als u de console op gemeenschappelijke resources moet installeren, moet u het andere gebruik tot een minimum beperken om de betrouwbaarheid van de console te vergroten en moet u de consoleoptie Toestaan dat console wordt overgenomen door een andere console inschakelen.

Een PC aanwijzen voor herstelinstallaties

Nieuwe servers en partities gebruiken hoogstwaarschijnlijk distributiemedia van IBM en daarom is QCONSOLE het enige beschikbare apparatuur-ID voor servicetools. Als u een herstelinstallatie van een server of partitie moet uitvoeren met de initialisatieoptie (scratch-installatie) enIBMdistributiemedia gebruikt, is alleen QCONSOLE beschikbaar. Als u QCONSOLE niet wilt gebruiken,of als er door de geconfigureerde verbinding (op de PC) een ander apparatuur-ID voor servicetools wordt gebruikt, bent u gedwongen de configuratie te wissen en opnieuw te maken zodat u QCONSOLE kunt gebruiken.

Alternatieve console

In een gepartitioneerde omgeving verwijst een alternatieve console naar een twinaxconsole die is verbonden met een andere I/O-adapter of I/O-processor die als de alternatieve console is gelabeld. Met het label console moet ook een twinaxconsole worden opgegeven. Met een alternatieve console beschikt u over een extra beschermingslaag. Als tijdens een bewaakte opstartprocedure door het systeem een fout in de primaire console wordt aangetroffen, wordt automatisch de gelabelde resource van de alternatieve console geprobeerd. Als u dezelfde resource zowel als de console als de alternatieve console labelt, kan dit tot gevolg hebben dat er helemaal geen console kan worden gekozen. Voor meer informatie over het als console gebruiken van de Operations Console als er geen twinaxconsole beschikbaar is, raadpleegt u Backupconsole voor i5/OS.

Servicetoolsserver en Operations Console

Als u de Operations Console (LAN) gebruikt, moet u een servicehostnaam (interface) maken. Nadat u deze hebt gemaakt, kan de server ook de servicetoolsserver gebruiken, bijvoorbeeld voor de ondersteuning van iSeries Navigator-functies. U kunt echter een netwerkadapter voor de servicetoolsserver gebruiken als de console iets anders is dan de Operations Console (LAN). Als u dit wilt doen, moet u de servicehostnaam (interface) configureren, zodat die verbinding door de servicetoolsserver wordt gebruikt. Als er tijdens de opstartprocedure (IPL) een geconfigureerde netwerkadapter beschikbaar is, activeert het systeem de adapter die de console ondersteunt, maar activeert het ook de adapter die gebruikt wordt voor de servicehostnaam, als dit een andere adapter is. Volgens dit scenario beschikt u nu over twee vast toegewezen resources in uw systeem die niet kunnen worden gebruikt door i5/OS. Omgekeerd geldt het volgende: als u voorheen een servicehostnaam had voor iSeries Navigator en nu Operations Console (LAN) gebruikt, hoeft u geen IP-configuratiewijzigingen aan te brengen omdat dezelfde resource wordt gebruikt.

Opmerking: Als u de Operations Console (LAN) niet als uw console gebruikt, kan het zijn dat u tijdelijk de waarde voor het consoletype en het label console moet wijzigen, om een LAN-adapter te configureren die als servicetoolsserver kan worden gebruikt. Zodra de configuratie is voltooid, kunt u de waarde voor het consoletype en eventuele labels terugdraaien naar de oorspronkelijke waarden.

Een overname uitvoeren

Dankzij de functie voor het overnemen en herstellen van een console kan de ene lokale console op een netwerk (LAN) de besturing van de server overnemen van een andere lokale console op een netwerk (LAN). Deze basisfunctie is niet beschikbaar voor een ander consoletype. Deze optie biedt echter wel een aantal herstelmogelijkheden. De HMC kan een consoleverbinding gemeenschappelijk gebruiken maar voort geen daadwerkelijke overname uit. Raadpleeg voor meer informatie Consoles overnemen en herstellen.

Verschillende PC's die tegelijkertijd verbinding maken

Als u de Operations Console (LAN) gebruikt terwijl er verschillende PC's zijn geconfigureerd die als console kunnen dienen, worden al deze PC's actief verbonden tijdens de opstartprocedure. Het is niet te voorspellen welke PC de console wordt omdat de eerste PC die een verbinding maakt de actieve console wordt. Als u de console-optie Toestaan dat console wordt overgenomen door een andere console hebt ingeschakeld, kunt u de console overnemen op de PC die u wilt gebruiken.

Coëxistentie met verschillende consoletypen

De Operations Console die rechtstreeks is verbonden met de server of die zich op een netwerk (LAN) bevindt HMC en twinaxwerkstations kunnen naast elkaar bestaan als apparaten die geschikt zijn als console, mits u zich aan de volgende regels houdt:
  • Er kan maar één apparaat tegelijk actief zijn.
  • Een twinaxwerkstation op om het even welke twinaxwerkstationcontroller met poort 0 (adres 0 of 1) of poort 1 (adres 0 of 1) kan een consoleapparaat worden als er een twinaxconsole wordt geselecteerd. Als de twinaxconsole als consoletype wordt geselecteerd, mogen Operations Console-apparaten niet worden gestart. Als er een geconfigureerde servicehostnaam bestaat, bijvoorbeeld ter ondersteuning van iSeries Navigator, wordt de ondersteunende adapter naast de twinaxadapter door het systeem geactiveerd.
  • Als u de Operations Console (LAN) als console gebruikt, maar een in aanmerking komende adapter voor asynchrone communicatie als backup beschikbaar hebt, wordt de LAN-adapter geactiveerd om de console te ondersteunen. De adapter voor asynchrone communicatie wordt niet automatisch gestart omdat de waarde voor het consoletype momenteel nog niet is ingesteld om te worden gebruikt. Omdat deze echter wel in aanmerking komt om de console te ondersteunen, ervan uitgaand dat het label Operations Console is ingesteld, kan deze resource niet door i5/OS worden gebruikt.

Maximumaantal actieve emulatorsessies dat per PC beschikbaar is

Het maximumaantal actieve emulatorsessies dat per PC beschikbaar is, is beperkt tot 26. Actieve emulatorsessies worden aangegeven met een letter uit het alfabet (A t/m Z). U kunt over meer dan 26 geconfigureerde verbindingen beschikken, maar er kunnen slechts 26 van die sessies actief zijn. In de tijd dat deze sessies worden gebruikt, kunt u de emulator voor een verbonden configuratie afsluiten om een emulator-ID vrij te maken. De volgende emulatiesessie die wordt gestart, kan dat ID vervolgens gebruiken.

Een andere beperking voor verschillende verbonden emulators op de zelfde PC is het aantal beschikbare PC resources, geheugen en beeldopties waarmee een groot aantal verbindingen wordt ondersteund. Omdat elke verbinding en de bijbehorende functies (console, bedieningspaneel. of beide) gebruikmaken van PC-resources, kan het nodig zijn om meer geheugen toe te voegen om meer verbonden sessies te kunnen ondersteunen. De hardware, het besturingssysteem en de actieve programma's van elke PC variëren, zodat het niet echt mogelijk is om vooraf te bepalen hoeveel sessies er worden ondersteund.

Verschillende consoles en verschillende servers

Houd rekening met het volgende als u verschillende consoles en verschillende servers wilt gebruiken:
  • Lokale console op een netwerk (LAN)
    • Operations Console staat verschillende LAN-verbindingen met één IBM System i5 and eServer i5-server toe, maar er kan slechts één 5250-sessie tegelijkertijd een server besturen. Een actieve console is een opdrachtinterface met een server (5250 Emulatie) die momenteel interactief werkt met de server. Er kunnen bij meer dan één Operations Console-apparaat gegevens op het scherm staan, maar er is maar één apparaat echt actief.
    • Een enkele PC kan verschillende actieve verbindingen hebben met een of meer servers of partities.
  • Een rechtstreeks verbonden lokale console of een rechtstreeks verbonden console waarvoor toegang op afstand is toegestaan.
    • Door de client (PC) wordt slechts een lokale console ondersteund die rechtstreeks is verbonden of een lokale console die rechtstreeks is verbonden en waarvoor toegang op afstand voor een enkele PC is toegestaan. Als de PC die wordt gebruikt als een lokale console die rechtstreeks is verbonden en waarvoor toegang op afstand is toegestaan ook wordt gebruikt als een console op afstand voor een andere server is er bovendien slechts één asynchrone verbinding tegelijkertijd toegestaan. U moet de verbinding van de lokale console die rechtstreeks is verbonden verbreken, om een verbinding als console op afstand te kunnen maken.
    • Door de server wordt alleen een enkele inkomende rechtstreeks verbonden verbinding ondersteund.
U kunt de beide verbindingen, rechtstreeks en LAN, tegelijkertijd op dezelfde PC combineren als u de voorgaande richtlijnen volgt.

Activering van console in de D-werkstand

Houd op basis van uw serverconfiguratie rekening met het volgende:
Servers zonder een HMC
Het enige scenario waarbij de waarde niet wordt ingesteld is na een vervanging van een vaste-schijfstation dat als laadbron dient zonder dat er een goede kopie is gemaakt van het oude naar het nieuwe station. Als dit het geval is, kunnen alle in aanmerking komende adapters per locatie een console ondersteunen, behalve LAN. Als een LAN de enige beschikbare koppelingsmogelijkheid is en het herstelmedium geen SAVSYS is, kan het nodig zijn het bedieningspaneel te gebruiken om de servicefuncties van de console (65+21) uit te voeren waarmee de waarde van het consoletype wordt gewijzigd. Voor meer informatie over het gebruik van de servicefuncties van de console, raadpleegt u Servicefuncties van console gebruiken (65 + 21).
Logische partities
Wanneer een logische partitie voor het eerst wordt ingesteld, moet u een I/O-adapter het label console geven en moet u lokale consoles die rechtstreeks zijn verbonden het label Operations Console geven. Deze informatie wordt door het systeem gebruikt om een console te zoeken. Alleen deze resource (IOA) wordt geactiveerd en het eerst verbonden apparaat wordt door het systeem als de console gebruikt om de Licensed Internal Code te herstellen. Op basis van de gegevens die voor de herstelbewerking worden gebruikt, wordt bepaald of u de waarde voor het consoletype moet instellen nadat de code is hersteld. Er kan ook een scherm verschijnen waarin om bevestiging wordt gevraagd van het selecteren van de waarde voor het consoletype. Als dit nodig is, kunt u deze console gebruiken om naar een andere console over te schakelen.
Als de console geen verbinding kan maken, kunt u de HMC gebruiken om een andere resource te labelen en vervolgens de servicefuncties van de console (65+21) te gebruiken om, indien nodig, een andere waarde voor een consoletype op te geven. Voor meer informatie over het gebruik van de servicefuncties van de console, raadpleegt u Servicefuncties van console gebruiken (65 + 21).

Feedback verzenden|Deze pagina beoordelen