Voor configuraties van Operations Console gelden server-, bekabelings- en PC-vereisten.
De eerste ingebedde Ethernet-poort wordt standaard door Operations Console ingesteld als de standaard-consolepoort in de IBM System i5 and eServer i5-modellen die geen Hardware Management Console (HMC) gebruiken. Dit geldt ook voor de 5706/5707-adapters. De server zoekt echter niet naar de 5706/5707-adapter, tenzij de ondersteuning voor de standaard ingebedde Ethernet-poort is uitgeschakeld. Ondersteuning voor de standaard ingebedde Ethernet-poort wordt uitgeschakeld bij fabricage voor systemen waarin de ingebedde poorten niet bestaan, zoals de 9406-595. Voor het uitschakelen van ondersteuning voor de standaard ingebedde Ethernet-poort of 5706/5707-adapters raadpleegt u Ondersteuning uitschakelen voor de standaard ingebedde Ethernet-poort of 5706/5707-adapters..
In de volgende situaties moet u een adapter voor Operations Console installeren:
De adapterlocaties hebben betrekking op servers zonder een HMC. Als u een HMC gebruikt om de server te beheren, kunt u geen adapters per locatie meer toepassen. Wijs in plaats daarvan hardwarehulpbronnen toe met de HMC.
| Model | Operations Console (LAN) | Operations Console (rechtstreeks verbonden) | Opmerkingen |
|---|---|---|---|
| Locaties van LAN-adapters | Locaties van asynchrone adapters | ||
| 520 | C2 of C5 Als u C2 of C5 gebruikt, moet u ondersteuning uitschakelen voor de standaard ingebouwde Ethernet-poort of adapters 5706/5707. |
C2 of C3 C4 is ook beschikbaar. Raadpleeg de onderstaande opmerking. Op het systeem kunnen asynchrone adapters aanwezig zijn in meerdere sleuven tegelijk. Raadpleeg de onderstaande opmerking. |
Als uw LAN-adapter zich in C2 bevindt, moet de I/O-processor zich in C1 bevinden. Als uw LAN-adapter zich in C5 bevindt, moet de I/O-processor zich in C3 of C6 bevinden. Als uw asynchrone adapter zich in C2 bevindt, moet de I/O-processor zich in C1 bevinden. Als uw asynchrone adapter zich in C3 bevindt, moet de I/O-processor zich in C6 bevinden. Als er een IXS is geïnstalleerd, moet deze zich in C5/C6 bevinden, moet de LAN-adapter of asynchrone adapter zich in C2 bevinden en moet de I/O-processor, indien vereist, zich in C1 bevinden. |
| 550 | C4 | C2 of C5 Het is niet mogelijk in beide sleuven tegelijkertijd een asynchrone adapter te plaatsen. |
Als uw LAN/adapter zich in C4 bevindt, moet de I/O-processor zich in C3 of C5 bevinden (behalve wanneer er een IXS is geïnstalleerd). Als uw asynchrone adapter zich in C2 bevindt, moet de I/O-processor zich in C1 bevinden (behalve wanneer er een IXS is geïnstalleerd). Als er een IXS is geïnstalleerd, moet deze zich in C2/C3 bevinden, moet de asynchrone adapter zich in C5 bevinden en moet de I/O-processor, indien vereist, zich in C1 of C4 bevinden. Consoleondersteuning met behulp van een LAN-connectie wordt alleen door de ingebedde poort geboden. |
| 570 | C4 of C6 | C2 | Als uw LAN-adapter zich in C4 of C6 bevindt, moet de I/O-processor zich in C3 bevinden (wanneer er een door een I/O-processor aangestuurde IOA wordt gebruikt). Als uw asynchrone adapter zich in C2 bevindt, moet de I/O-processor zich in C1 bevinden. Als er een IXS is geïnstalleerd, kan deze zich in C4/C5 bevinden, kan de LAN-adaptor of asynchrone adapter zich in C6 bevinden en kan de I/O-processor, indien vereist, zich in C3 bevinden. Als er meerdere CEC's zijn, wordt de CEC met als laadbron DASD voor de consoleondersteuning gebruikt. |
| 595 | Voor dit model is een HMC vereist. Door de gewenste I/O-adapter van een label te voorzien, kan de console in plaats van de kaartlocatie worden opgegeven. |
||
Opmerking: Deze opmerking is alleen
van toepassing voor IBM System i5
520-modellen met IOPless-functionaliteit, die niet worden beheerd met een
HMC.
Door het installeren van PTF MF39303 (V5R3M5) of PTF MF39304 (V5R4M0) wordt het
mogelijk om in uw systeem te werken met asynchrone adapters in meerdere sleuven tegelijk,
inclusief een asynchrone 2793-adapter in IOPless-sleuf C4.
Na installatie van deze PTF's kunt u een afzonderlijke asynchrone adapter selecteren voor gebruik in combinatie met de console, Electronic Customer Support (ECS) en service op afstand. Hierbij maakt u gebruik van een ingebouwde macro of de servicefuncties van de console (65+21). De console, ECS en de functies voor service op afstand moeten alle gebruikmaken van een enkele asynchrone adapter. Sleuf C4 kunt u niet selecteren voor de console bij gebruik van adapter 2793, maar wel voor gebruik in combinatie met ECS en service op afstand. Voorbeeld: Als Als er een asynchrone adapter aanwezig is in zowel C2 als C3, voor gebruik
door Operations Console (Direct), kunt u een van beide sleuven gebruiken voor de console,
ECS en service op afstand, zonder dat u de asynchrone adapter hoeft te verwijderen uit de
andere sleuf.
|
|||
Voor meer informatie over adapters raadpleegt u Configuratietabellen voor IBM System i5 and eServer i5-systeemeenheden en -uitbreidingseenheden..
IBM System i5 and eServer i5- modellen ondersteunen geen bedieningspaneel op afstand dat rechtstreeks op de server is aangesloten. U kunt het virtuele bedieningspaneel of het via het LAN verbonden bedieningspaneel op afstand echter voor de meeste functies gebruiken. Zie voor meer informatie het onderwerp Bedieningspaneelfuncties beheren.
Als u een lokale console die rechtsreeks is verbonden wilt gebruiken, moet u over de juiste kabel (97H7557) beschikken. Raadpleeg voor meer informatie Een Operations Console-kabel aansluiten.
Om te controleren of er een communicatiepoort beschikbaar is, raadpleegt u de documentatie voor uw PC of neemt u contact op met de PC-fabrikant. Als u Operations Console configureert, zoekt de wizard bovendien naar de poort voor de console.
Het gebruik van een USB/seriële wordt ondersteund door Operations Console. De adapter wordt aan het PC-uiteinde van de seriële kabel voor de console geplaatst en wordt verbonden met de USB-poort van de PC. Als u een USB-adapter installeert, moet u de instructies van de fabrikant volgen. Vervolgens wordt door het besturingssysteem een seriële poort aan die adapter toegewezen, bijvoorbeeld COM 4 Deze adapter wordt exclusief voor de console gebruikt. Zoals reeds werd opgemerkt, ondersteunt Operations Console de seriële COM-poorten 1-9.
Als er een fout optreedt met uw adapter, kunt u een andere adapter uitproberen. U kunt ook contact opnemen met de fabrikant van de adapter of de PC of contact opnemen met uw hardwareleverancier.