In de volgende informatie wordt beschreven hoe de servicefuncties van de console
(65+21) vanaf het bedieningspaneel kunnen worden gebruikt. Hetzelfde proces is van toepassing als u werkt met een Hardware Management Console
(HMC).
Hieronder ziet u een voorbeeld van de werking van de servicefuncties
van de console:
- Voer de volgende stappen uit als het systeem niet in de handmatige
werkstand staat of als de uitgebreide functies niet zijn geactiveerd:
- HMC: Zet de server in de werkstand
Manual (handmatig) met behulp van het
bedieningspaneel.
- Bedieningspaneel:
- Zet de server in de werkstand Manual
(handmatig) met behulp van het bedieningspaneel.
- Kies functie 25 met de knoppen Omhoog en Omlaag.
Druk op Enter.
- Kies functie 26 met de knop Omhoog. Druk op Enter.
- Voer met behulp van het bedieningspaneel functie 65 in. U ziet dat de status van een seriƫle verbinding wellicht wordt gewijzigd in Connecting
console. (Met functie 65 wordt de communicatie-adapter gedeactiveerd die wordt gebruikt door de lokale console die rechtstreeks is verbonden.)
- Geef binnen ongeveer 45 seconden functie 21 op.
Functie 21 moet binnen 45 seconden worden opgegeven, anders kan het
systeem de twee functies niet samenvoegen tot een paar.
Als u de functies 21 na 45 seconden invoert, wordt DST op de console gebruikt. Afhankelijk van de status van de server, kan het zijn dat u wel of niet
een wijziging op de console ziet.
- Het bedieningspaneel reageert met de systeemverwijzingscode (SRC) A6nn500A.
- Geef nogmaals de functies 65 en
21 op om het systeem in de werkstand Bewerken te
zetten. Wanneer het systeem zich in de werkstand Bewerken bevindt, kunt u een
actie wijzigen of uitvoeren. Het bedieningspaneel reageert met de systeemverwijzingscode (SRC) A6nn500B om aan te geven dat u zich in de werkstand Bewerken bevindt.
Als u de werkstand Bewerken wilt annuleren, geeft u functie
66 op. Deze functie hoeft niet correct te worden
voltooid.
- Voer functie 65 en 21 herhaaldelijk in totdat u bij de actie uitkomt die u wilt uitvoeren. In de werkstand Bewerken wordt elke keer dat u functie invoert, nn van de SRC verhoogd.
- Als u bij de waarde komt van de actie die u wilt uitvoeren, voert u functie21 in om de actie uit te voeren. De SRC is A6nn500C
om aan te geven dat de actie correct is verzonden.
Voorbeeld 1: Het consoletype wijzigen
Als u het consoletype wilt wijzigen van een twinaxconsole in een lokale console op een netwerk (LAN), voert u de volgende stappen uit met de servicefuncties van de
console op het bedieningspaneel:
- Geef functie 65 op.
- Voer functie 21 binnen 45 seconden in nadat u functie 65 hebt ingevoerd. Op het bedieningspaneel verschijnt SRC A601500A om aan te geven dat de
huidige consolewaarde twinaxconsole is.
- Geef functie 65 op.
- Geef functie 21 op. Op het bedieningspaneel verschijnt SRC
A602500B om aan te geven dat u zich in de werkstand Bewerken bevindt en dat de consolewaarde
Operations Console (LAN) is.
- Geef functie 65 op.
- Geef functie 21 op. Op het bedieningspaneel
wordt SRC A603500B afgebeeld, waarmee aangegeven wordt dat het systeem
zich nog steeds in de werkstand Bewerken bevindt, en dat de consolewaarde
Operations Console (LAN) is.
- Geef functie 21 op om de actie te verzenden. Op het bedieningspaneel wordt systeemverwijzingscode A603500C weergegeven. Deze code geeft aan dat het wijzigen van de consolewaarde in Operations Console (LAN) is uitgevoerd.
Voorbeeld 2: De console opnieuw instellen
zonder de consolewerkstand te wijzigen
In dit voorbeeld wordt uitgelegd hoe u de hardware opnieuw moet instellen die aan de geconfigureerde consoleverbinding is gekoppeld.
Belangrijk: Als u al over een actieve console beschikt en dit voorbeeld gebruikt, zal de verbinding tussen de console en de server tijdelijk worden verbroken tijdens dit proces, maar zal de console daarna automatisch opnieuw verbinding maken. Verder worden door dit voorbeeld niet alle fouten die verband houden met
een consolestoring gecorrigeerd.
Als u de console opnieuw wilt instellen zonder dat de consolewaarde wordt gewijzigd, moet u de volgende taken met behulp van de servicefuncties van de console (65+21) op het bedieningspaneel uitvoeren:
- Geef functie 65 op.
- Voer functie 21 binnen 45 seconden in nadat u functie 65 hebt ingevoerd. Op het bedieningspaneel wordt A6nn500A afgebeeld,
waarmee de huidige consolewaarde wordt aangegeven.
- Geef functie 21 op. Op het bedieningspaneel wordt A6nn500C weergegeven. Deze code geeft aan dat het wijzigen van de consolewaarde in de waarde van de huidige console is uitgevoerd.
Uitzondering 1: De LAN-adapter
opnieuw activeren
Als u het consoletype wijzigt in Operations
Console (LAN) kan het nodig zijn om de LAN-adapter opnieuw te activeren met behulp van functie A3.
Uitzondering 2: Verbinding herstellen met
de 5250-emulator
Als u een lokale console op een netwerk (LAN) wijzigt, is het mogelijk dat de verbinding van de
emulator wordt verbroken en dat de waarde Verbroken wordt weergegeven.
Voorbeeld: Het huidige consoletype is een lokale console die rechtstreeks is aangesloten en u beschikt al over een servicehostnaam voor andere tools waardoor de LAN-adapter momenteel actief is. U moet echter het consoletype wijzigen in een lokale console op een netwerk (LAN) met behulp van de servicefuncties van de console (65+21). De lokale console op een netwerk (LAN) bevat gegevens (het venster Console
Information Status) en is verbonden, maar het is niet de huidige console. Als u de servicefuncties van de console (65+21) gebruikt om voor het consoletype een lokale console op een netwerk (LAN) in te stellen, wordt de verbinding met de emulator op de lokale console op een netwerk (LAN) verbroken. Als u de emulator opnieuw wilt verbinden, klikt u op Communicatie,
en selecteert u vervolgens Verbinden. Afhankelijk van andere factoren kan de emulator
de huidige console worden.