In dit onderwerp wordt u geholpen vast te stellen aan welke minimale netwerkconfiguratie moet worden voldaan om een lokale console in een netwerk (LAN) te kunnen instellen.
De installatie van de LAN-adapter voor Operations Console hangt af van uw servermodel als u geen ingebedde standaard-Ethernet-poort gebruikt. Als u de adapter wilt installeren, leest u Hardwarevereisten voor de Operations Console. Als de server nieuw is en u een lokale console in een netwerk (LAN) hebt besteld, moet de adapter al voor de server zijn geconfigureerd. De LAN-adapter moet vast zijn toegewezen voor servicetools.
U wordt aangeraden om bij consoles via een LAN-verbinding dezelfde fysieke veiligheidsmaatregelen toe te passen als bij lokale consoles die rechtstreeks zijn verbonden of twinaxconsoles. Zo kunt u bijvoorbeeld overwegen een lokale console in een netwerk (LAN) te configureren in een netwerk dat van het hoofdnetwerk (of het intranet van het bedrijf) gescheiden is en de toegang tot de machine die als console fungeert strikt te controleren.
U wordt aangeraden de LAN-topologieën voor met een LAN verbonden lokale Operations Consoles te beperken tot één enkele fysieke routeromgeving. Als voor de lokale console in een netwerk (LAN) een uitgebreidere netwerktopologie wordt gebruikt, wordt DHCP-pakketfiltering altijd aanbevolen. Het kan hierbij voldoende zijn de PC en de server via een gekruiste kabel met elkaar te verbinden of een goedkope router te gebruiken waarop alleen de PC en de server worden aangesloten. Als u slechts één PC of een klein aantal apparaten op de server aansluit via een router, switch of hub en deze apparaten niet met een ander netwerk of het internet worden verbonden, kunt u willekeurige numerieke adressen gebruiken. Een voorbeeld hiervan is 1.1.1.x of 10.220.215.x (waarbij x een waarde van 2 tot 255 kan zijn, maar vermijd x.x.x.1 aangezien dit adres in sommige netwerken problemen veroorzaakt). Als een netwerk echter door een groot aantal gebruikers wordt gedeeld of als de apparaten zijn verbonden met het internet, moet voor netwerkadressen contact worden opgenomen met een netwerkbeheerder.
Een lokale Operations Console in een netwerk gebruikt het BOOTstrap-protocol (BOOTP) om de IP-communicatiestack van de serverservice te configureren. Er wordt in de configuratiewizard van Operations Console gevraagd naar de IP-stackconfiguratie en een serverserienummer. De server verzendt een BOOTP-opdracht. De Operations Console-PC antwoordt met de informatie die in de configuratiewizard is opgegeven. Vervolgens worden de configuratiegegevens door de server opgeslagen en gebruikt voor de IP-communicatiestack van de service.
De Operations Console-PC moet worden ondergebracht in een netwerk dat voor de server toegankelijk is. Het kan hierbij om hetzelfde fysieke netwerk gaan of om een netwerk dat verzonden pakketten kan verwerken. Dit is alleen vereist tijdens de eerste installatie. Tijdens de normale werking van Operations Console is dit niet noodzakelijk. Deze installatie moet op hetzelfde fysieke netwerk worden uitgevoerd.
De BOOTP-opdracht omvat het serienummer en het partitie-ID van de server. Met het serienummer en het partitie-ID van de server worden de IP-configuratiegegevens toegewezen. Als u problemen hebt met het configureren van de IP-communicatiestack van de service, moet u controleren of de Operations Console-PC zich in hetzelfde fysieke netwerk bevindt en of het serienummer en het partitie-ID van de server voor de configuratie klopt. Op IBM System i5 and eServer i5-modellen wordt de eerste partitie aangegeven als 1, en niet als 0, zoals voor oudere 270- en 8xx-servers.
Een lokale console in een netwerk (LAN) gebruikt de poorten 2323, 3001 en 3002. Als u Operations Console in een ander fysiek netwerk wilt gebruiken, moeten de router en de firewall IP-verkeer op deze poorten toestaan. Door BOOTP worden UDP-poorten 67 en 68 gebuikt per RFC 951. Raadpleeg voor meer informatie http://www.faqs.org/rfcs/rfc951.html
Het succes van BOOTP is afhankelijk van de netwerkhardware waarmee de server en de PC worden verbonden. In sommige gevallen kan een alternatief consoleapparaat noodzakelijk zijn voor de configuratie van de verbinding in DST. Om BOOTP te kunnen gebruiken, moet de netwerkhardware zelf over de snelheid en de duplexwerking kunnen onderhandelen als er gebruik wordt gemaakt van de 2838 Ethernet-adapter voor de verbinding van Operations Console.
Hoe een netwerk moet worden beveiligd, hangt af van de vraag of het systeem wordt beheerd door een Hardware Management Console (HMC). Het netwerk en de beveiliging worden anders geconfigureerd als het systeem wordt beheerd door een HMC. Wanneer u uw HMC instelt, moet u kiezen of u een afgeschermd of een open netwerk wilt configureren. Als het om de eerste HMC in het netwerk gaat, moet u deze HMC als DHCP-server configureren. Voor meer informatie raadpleegt u Soorten HMC netwerkverbindingen en Vereiste configuratie-instellingen verzamelen.