Het venster Eigenschappen van Operations Console

Gegevens over de server en verbindingsconfiguraties controleren en wijzigen met het venster Eigenschappen.

In het scherm Eigenschappen vindt u gegevens over de server die hoort bij verbonden configuratie. Dit is ook de pagina waarop u wijzigingen aanbrengt in een bestaande configuratie.

Het tabblad Algemeen bevat informatie over de server die door de geselecteerde verbinding wordt vertegenwoordigd. In het veld Logboekdirectory wordt het pad weergegeven naar de logboeken van de Operations Console. Dit is het enige veld dat u kunt bewerken. Als de geselecteerde verbinding niet is verbonden, zijn de gegevens afkomstig van de laatste geslaagde verbinding. Als u Eigenschappen selecteert voor een geconfigureerde verbinding, krijgt u een dialoogvenster te zien waarin wordt aangegeven dat sommige wijzigingen pas van kracht worden als er een verbinding met de geconfigureerde verbinding tot stand wordt gebracht.

Als voor het partitienummer **** wordt afgebeeld, is er een configuratiefout aan de geconfigureerde verbinding gekoppeld. De fout kan een foutief partitie-ID of een foutief IP-adres van de servicehostnaam zijn.

Het tabblad Configuratie bevat opties waarmee u instelt welke functies worden gebruikt en hoe de configuratie wordt verbonden. Opties die niet beschikbaar zijn voor de bijbehorende configuratie, worden grijs weergegeven. Voor de console op afstand is er geen tabblad Configuratie tab. Als u een console op afstand wilt wijzigen, moet u de consoleverbinding eerst wissen en deze vervolgens opnieuw maken.

Met het tabblad BOOTP beantwoorden kan de systeembeheerder bepalen met welke PC-configuratie de IP-gegevens aan de server worden geleverd. Nieuwe servers of logische partities, die een verbinding met een lokale console op een netwerk (LAN) proberen te maken, kunnen BOOTP gebruiken. Als er meer dan een PC of configuratie is toegestaan om de gegevens te leveren, worden deze gegeven geleverd door de eerste PC die op het verzendpakket reageert. Als de beheerder kan bepalen welke PC deze gegevens levert, zou dit een grotere flexibiliteit tot gevolg hebben.

Voorbeeld: het kan wenselijk zijn om met een andere naam dan de naam die al aan de hostnaam voor de servicetools (service-interface) is toegewezen, naar een systeem in Operations Console te verwijzen. U heeft een PC in de computerruimte die is gebruikt om uw server of partitie voor de eerste keer in te stellen en daarom gebruikt deze PC de echte service-interfacenaam. U wilt dat deze naam door alle andere PC's als iets anders wordt weergegeven. U kunt de geconfigureerde verbinding op de andere PC's zodanig instellen dat deze PC's een fictief serienummer voor de server gebruiken, zodat BOOTP altijd wordt genegeerd door de configuraties van deze PC's. Als u deze optie uitschakelt, voorkomt u dat deze PC per ongeluk de server met de verkeerde naam configureert en het serienummer van de echte server gebruikt. Voor meer informatie over BOOTP, raadpleegt u BOOTstrap-protocol.

Voor de beide configuraties van de rechtstreeks verbonden lokale consoles is 192.168.0.2 het standaard-IP voor de console. Als deze PC het adresbereik voor een ander doel gebruikt, beschikt de gebruiker met dit veld over een handige methode om het adres te wijzigen dat door de Operations Console wordt gebruikt. U kunt bijvoorbeeld 192.168.1.2 gebruiken.

Opmerking: Met een oorspronkelijke configuratie van een lokale console op een netwerk (LAN) wordt zowel de console als het bedieningspaneel op afstand geconfigureerd. Met een oorspronkelijke configuratie van een lokale console die rechtsreeks is verbonden wordt het bedieningspaneel op afstand niet geconfigureerd. Hier schakelt u de functies in of uit die u niet wilt gebruiken.

Met het tabblad Apparatuur-ID kunt u nu met één knop het wachtwoord voor het apparatuur-ID voor de servicetools op de PC opnieuw instellen. Het wachtwoord voor het apparatuur-ID voor de servicetools van de server moet ook afzonderlijk opnieuw worden ingesteld. De naam van het apparatuur-ID voor de servicetools die voor de configuratie wordt gebruikt, kan niet worden gewijzigd. Als u een ander apparatuur-ID voor de servicetools wilt gebruiken, moet u deze configuratie eerst wissen en vervolgens een nieuwe configuratie maken met behulp van het nieuwe apparatuur-ID van een andere naam.

Als u een foutbericht ontvangt waarin wordt aangegeven dat u de wachtwoorden voor de apparatuur-ID's opnieuw moet synchroniseren, hoeft u alleen het wachtwoord van het apparatuur-ID van de server opnieuw in te stellen. De client wordt automatisch opnieuw ingesteld tijdens de volgende verbindingspoging.

Op het tabblad Toegangswachtwoord kunt u het toegangswachtwoord wijzigen. Het toegangswachtwoord wordt onder andere gebruikt om de identiteit te verifiëren van het apparaat dat de verbinding maakt.

In het venster Eigenschappen kunt u de knop ? gebruiken om Help-informatie op te vragen. Als u klikt op ?, wordt het vraagteken (?) aan uw muisaanwijzer gekoppeld. U kunt het vraagteken (?) verplaatsen naar het veld waarover u meer informatie wilt, en vervolgens klikt u hier opnieuw op. Er verschijnt een contextgevoelig Help-venster met informatie over het veld.


Feedback verzenden|Deze pagina beoordelen