Van een bepaald consoletype overschakelen naar een ander type als een console momenteel beschikbaar is

Als u vooraf weet dat u een ander type console nodig hebt, kunt u met behulp van de huidige console de benodigde wijzigingen aanbrengen die u op een andere console wilt gebruiken.

Opmerking: Voor de volgende instructies wordt verondersteld dat er hardware waarmee een nieuw consoletype wordt ondersteund beschikbaar is op de juiste locatie of kan worden gelabeld zonder dat er hardware hoeft te worden toegevoegd of verplaatst. Voor systemen met een HMC is ten minste een labelwijziging vereist voordat er een nieuw consoletype wordt geselecteerd. Als een label wordt gewijzigd, moet het systeem worden uitgeschakeld en opnieuw worden ingeschakeld om de wijziging in het partitieprofiel weer te kunnen geven, tenzij dit met de alternatieve methode wordt gedaan (ook wel dynamisch labelen genoemd). Deze beperking is ook van toepassing als u terug wilt keren naar het oorspronkelijke consoletype.

Als de hardwareresources voor het beoogde consoletype al zijn opgegeven en zijn geconfigureerd om als console te worden gebruikt, kan een wijziging bestaan uit het opgeven van een nieuwe waarde voor een consoletype en het activeren van de bijbehorende hardwareresource. Als er echter toewijzingen of configuraties nodig zijn voor de hardware die voor het beoogde consoletype wordt gebruikt, moet u de bijbehorende informatie gebruiken in Consoles, interfaces en werkstations wijzigen.

Een voorbeeld is de geplande uitval van het netwerk dat wordt gebruikt door uw met een LAN verbonden console. U brengt een aantal infrastructuurwijzigingen aan die meer dan een dag kosten en u hebt de consolekabel al geïnstalleerd tussen de adapter voor asynchrone communicatie van de server en de PC. De server wordt niet beheerd door een HMC. Als u de met het LAN verbonden console gebruikt kun t u het consoletype wijzigen in Operations Console (rechtstreeks verbonden). Vervolgens kunt u de eigen macro OPSCONSOLE RESTART gebruiken om het systeem de andere configuratie te laten gebruiken. Nadat de adapter voor asynchrone communicatie actief is, kunt u de verbinding met de LAN-console verbreken en een configuratie maken voor de lokale console die rechtstreeks is verbonden, als een dergelijke configuratie nog niet bestaat, en vervolgens een verbinding starten.

Voor systemen die door een HMC worden beheerd, kunt u de alternatieve methode gebruiken om een andere resource dynamisch te labelen en vervolgens een bijbehorende methode te gebruiken om het systeem de nieuwe console te laten gebruiken. Voor meer informatie over het overschakelen van het ene consoletype naar het andere, raadpleegt uConsoles, interfaces en terminals wijzigen.

Als u wilt terugkeren naar de met het LAN verbonden console, moet u de lokale console gebruiken die rechtstreeks is verbonden en dezelfde basismethode die eerder is beschreven om uw wijziging aan te brengen.
Opmerking: Als u het systeem het nieuwe consoletype wilt laten gebruiken, kunt u ervoor kiezen om de wijziging onmiddellijk door te voeren of te wachten op de volgende keer dat u de server opstart. U kunt voor een onmiddellijke wijziging de servicefuncties 65+21+21 van de console of de eigen macro OPSCONSOLE RESTART gebruiken.
Opmerking: Voor meer informatie over de servicefuncties van de console (65+21), raadpleegt u Servicefuncties van console gebruiken (65 + 21). Voor meer informatie over de eigen macro van Operations Console, raadpleegt u Problemen oplossen met de macro OPSCONSOLE.

Feedback verzenden|Deze pagina beoordelen